Decadence: onttakeling goed geregisseerd

Voorstelling: Decadence van Steven Berkoff door Het Nationale Toneel. Regie: Johan Doesburg. Vertaling en bewerking: Marcel Otten. Spel: Gijs Scholten van Aschat, Jacqueline Blom. Gezien: 1/4, Theater aan 't Spui, Den Haag. Nog te zien: aldaar t/m 17/4. Tot 29/5 elders.

Niet eenmaal staat het echtpaar, Steef en zijn adellijke Sybil, zelf op toneel. We zien óf de echtgenoot met zijn minnares Helen óf de echtgenote met haar minnaar Les. De toeschouwer valt dat nauwelijks op: de vier personages in Steven Berkoffs stuk Decadence (1982) worden vertolkt door twee acteurs, in de enscenering van Johan Doesburg voor Het Nationale Toneel door Gijs Scholten van Aschat en Jacqueline Blom. Maar niet alleen vanwege de in elkaar overvloeiende dubbelrollen is het onderscheid zoek. De personages zelf verschillen onderling ook niet, zij het dat echtgenoot Steef een patser is die netjes praat en minnaar Les er eentje is die plat praat.

In het op deze manier onopvallende overspel schuilt dan ook het scandaleuze niet van Berkoffs stuk. Waar het bestuur van Het Nationale Toneel zich binnenskamers druk over heeft gemaakt - wijselijk zonder daar consequenties aan te verbinden - is het peil van de dialoog, zowel inhoudelijk als naar de vorm. De schuttingwoorden zijn niet van de lucht en driekwart van de tekst gaat over de voortplantingsdaad, en alsof dat nog niet genoeg is, heeft vertaler en bewerker Marcel Otten van Den Haag ook nog eens de plaats van onheil gemaakt. Zo heeft het kunnen gebeuren dat Steef in de vijfde scène tegen zijn Helen zegt: “Niemand die dit pikt, het wordt een rel. Zulke vieze woorden kun je niet zeggen bij Het Nationale Toneel.”

Het kan wel, een succès de scandale zal Decadence niet worden. Als de voorstelling goed gaat lopen, dan is dat te danken aan de beide acteurs, de regisseur en de vertaler. Evenals vorig jaar met Vastgoed BV, van David Mamet, heeft Marcel Otten voorstreffelijk werk afgeleverd. Nooit geweten dat er zoveel synoniemen bestaan voor penis en vagina, om het zo maar te zeggen. Om nog maar te zwijgen over de aanduiding van de daad zelf, het Haagse bargoens is een (niet steeds even gemakkelijk verstaanbare) taal op zichzelf. Ottens vondsten zijn origineel, plastisch en hilarisch - en contextgebonden, uit de losse hand citeren doet de vertaling geen recht.

Dat heeft te maken met de inhoud van Berkoffs tekst, of liever: met het gebrek aan inhoud. Het drama van zijn situaties of dilemma's uitleggen heeft geen enkele zin, die zijn er eenvoudigweg niet. Dat is het drama. Zijn personages zijn door en door verdorven, reflectie is hen vreemd. En als dat komt doordat de betekenis van hun handelen en bestaan voor henzelf duidelijk genoeg is, dan is hun tragiek (en daarmee die van ons, want uiteraard houdt Berkoff ons een spiegel voor) eens zo groot. Hun loze woorden gaan over eten, slapen, poepen en neuken en nog eens neuken, liefst met zo weinig mogelijk gevoel en met een zo groot mogelijke, gecultiveerde onverschilligheid jegens de ander.

Misschien gaat het leven daar ook wel over, van groter belang is dat Berkoffs personages ieder gevoel voor decorum hebben verloren. Decorum, realiseer je je, kijkend naar deze voorstelling, is niet altijd en per se gelijk aan hypocrisie en onwaarachtigheid. Die les, veel aardiger dan het pure shockeren van de bourgeois, benadrukt Johan Doesburg in zijn enscenering. Die is kaal, op een bank en een replica van het Barnett Newmans aan stukken gereten Who's Afraid of Red, Yellow and Blue na. Als dat achterdoek staat voor onttakeling van illusies, dan heeft Elly op 't Land een goed decor ontworpen.

Deze kale enscenering wordt gevuld door Gijs Scholten van Aschat en Jacqueline Blom, waarmee gezegd zij dat Doesburg zijn acteurs uitstekend heeft geregisseerd. Vooral Scholten van Aschat is bereid ver te gaan, decorumverlies teistert niet alleen zijn personages. Hij geeft zich over aan slapstick-achtige acrobatiek, hij zweet, loopt rood aan en verwekt uiteindelijk, stotterend, boerend en spuwend, geen afkeer of lach meer maar alleen nog deernis. Dat is knap en vanzelfsprekend ook de verdienste van zijn tegenspeelster Blom. Die geeft hem de ruimte, al was het maar omdat zijzelf, zo lijkt het, af en toe nog terugdeinst voor de ontluistering. Dat geeft Berkoffs stuk op de keper beschouwd trouwens wel extra reliëf.