Warmte is het wezen van de wereld; Vasili Rozanovs gedachten over God, seks en Rusland

In Rusland heerst een Vasili Rozanov-boom. Intellectuelen dragen de ongrijpbare schrijver op handen, maar ook de gewone man, die op het moment toch andere zaken aan zijn hoofd lijkt te hebben dan filosofie en literatuur, loopt met hem weg. Hij schreef driekwart eeuw geleden, maar zijn dikwijls tegenstrijdige opinies over seks, god, Rusland, joden of socialisme klinken niets verouderd, ook al schreef hij: “We denken niet langer de gedachten die een jaar oud zijn”. In de zojuist vertaalde bundel "Roem is een slang' komen al zijn onderwerpen aan bod.

Vasili Rozanov: Roem is een slang. Gekozen, vertaald en van een nawoord voorzien door Yolanda Bloemen. Uitg. De Arbeiderspers, 311 blz. Prijs ƒ 59,90

Als er één Russisch denker van het begin van deze eeuw tot op heden omstreden is, dan is het Vasili Rozanov (1856-1919). Een uitgave van zijn verzamelde werken - die niet bestaat maar geschat wordt op zo'n dertig, veertig delen - zou de meest bonte verzameling van geschriften vertonen die men zich maar in kan denken. Rozanov schreef over bijna alles: religie, politiek, geschiedenis, natuur, literatuur, seksualiteit, huwelijk, gezin. Daarbij gedroeg hij zich de ene keer als reactionair en de andere keer als liberaal, nu eens als chauvinist, dan weer als verachter van al wat Russisch is, nu eens als vijand en dan weer als vriend van de joden. Hij vergeleek het socialisme met een kankergezwel en noemde het tsarisme "doorgerot'; hij was tegelijkertijd theoloog en ketter, deugdzaam huisvader en immoralist. Als vaste medewerker van de conservatieve krant Nieuwe Tijd schreef hij stukken van schokkend reactionair gehalte - bij voorbeeld over de rituele moorden die joden zouden plegen op christelijke jongens -, aan andersgezinde bladen leverde hij, onder pseudoniemen, stukken met tegengestelde opinies. Hij lag in de clinch met kerk, censuur, revolutionairen en conservatieven, joden en Russen; hij had contacten - vooral ruzies - met bekende en kleurrijke tijdgenoten als de filosofen Berdjajev en Solovjov, de schrijvers Gorki, Bjely en Zinaïda Hippius. Er waren maar weinig mensen die hem mochten, maar hij liet niemand onberoerd.

Kortom: voor hen die ervan houden inconsequenties binnen iemands denken en doen op te sporen, is Rozanov een gewillige prooi. Maar deze triomfantelijke systematici vergeten dat Rozanov helemaal niet probéérde een systeem na te laten, en dat als er ook maar één gebod geldt bij het lezen van Rozanov, dit luidt: gij zult niet classificeren. Rozanov zelf heeft dit gebod in alle toonaarden onderstreept en zijn vele tegenstrijdigheden nooit verdoezeld. “Ik heb rond thema's gevlogen, maar me niet op hen vastgepind”, schrijft hij in een van zijn laatste werken, Solitaria. En in Gevallen bladeren vinden we uitspraken als: “We denken niet langer de gedachten die een jaar oud zijn” of: “En de "overtuigingen'? Daar spuw ik op.” Rozanov geniet duidelijk van zijn eigen ongrijpbaarheid. Wat anders dan duivels plezier klinkt er bij voorbeeld door in het antwoord dat hij geeft op zijn eigen vraag wat voor standbeeld hij voor zichzelf zou wensen: “Alleen zo een die naar de toeschouwer een gebaar maakt dat hij kan barsten.”

Het beeld dat Rozanov met dit soort fratsen van zichzelf creëerde, is misschien nog het best te omschrijven als dat van de wijze nar. In de dagelijkse omgang moet hij daar trouwens ook wel iets van weg hebben gehad. Volgens zijn vriend en biograaf Hollerbach leek Rozanov op een klerk of kostertje, had hij ogen als speldepunten en de gewoonte om bij een kennismaking meteen, "met zijn jas en overschoenen aan', in de ziel van de ander te kruipen. Tijdens het praten spetterde het speeksel uit zijn mond. De filosoof Berdjajev noemde hem “irritant, kinderachtig, vulgair, zeer fantasierijk en buitengewoon intelligent”.

Koperen tong

Rozanov is slechts weinig vertaald, maar Nederland is sinds kort in het gelukkige bezit van de bundel Roem is een slang, die een keuze bevat uit zijn drie laatste werken, Solitaria, Gevallen bladeren en Apocalyps van onze tijd. Zowat alles waar Rozanov ooit over geschreven heeft komt in de bundel terug, maar eigenlijk gaat het om een gesprek van Rozanov met zichzelf over zichzelf. Rozanov doet het voorkomen alsof het om een manuscript gaat dat niet voor publikatie bestemd is. “Het is alsof die verdomde Gutenberg met zijn koperen tong alle schrijvers heeft afgelikt, en allemaal hebben zij "in druk' hun ziel verloren, hun gezicht, hun karakter.”

Zelf schrijft hij alleen voor zijn eigen plezier en de enige boodschap die hij aan de lezer heeft, is: "Loop naar de hel!' Rozanov cultiveert zijn narrenimago; hij heeft, zo vertelt hij, een afkeer van zijn eigen uiterlijk en zijn naam (die eerder bij een bakker dan bij een schrijver past), hij heeft het recht om te liegen en zichzelf tegen te spreken en staat buiten de moraal. “Ik ben nog niet zo'n schurk dat ik over moraal nadenk.” Onbekommerd spreekt hij zich uit over alles wat bij hem opkomt. Voortdurend wisselt hij van stijl en thema. Vaak geeft hij tussen haakjes aan wanneer de zojuist verwoorde gedachte zich aandiende of waar hij haar noteerde: "bij mijn muntenverzameling', "onder het rollen van een sigaret', "op de zool van mijn slof; in bad'.

Solitaria, Gevallen bladeren en Apocalyps van onze tijd vormen wat je zou kunnen noemen Rozanovs literaire zelfportret. Dat is ook wat ze zo interessant maakt: voor het eerst in zijn omvangrijke oeuvre gaat het expliciet om het ik van de schrijver. Het euvel waar zijn voorafgaande werk aan leed - dat Rozanov zich bezighield met vrijwel alle terreinen van kennis uiteraard zonder in al die gebieden even goed thuis te zijn - speelt hier geen rol, terwijl het aantrekkelijke van dat universalisme wel bewaard is gebleven. Nog steeds legt Rozanov zich geen enkele beperking op, maar de thema's waar hij zich nu over uitspreekt zijn uitdrukkelijk gerelateerd aan zijn eigen persoonlijkheid, zijn eigen ziel. En dan blijkt dat het hem in de allereerste plaats om die ziel gaat en dat andere zaken, vooral politieke en maatschappelijke, daarbij in het niet zinken. “Bestaat de ziel? Is er leven na de dood? Dat is belangrijker dan alle revoluties.” In diezelfde geest bekent hij het te besterven wanneer hij iemand met "maatschappelijke belangstelling' ontmoet, en eigenlijk het liefst de politiek af te willen schaffen: “We moeten een einde maken aan de politiek (-) het a-politieke creëren.”

Wat de vorm betreft heeft het triptiek ook een belangrijk voordeel. Terwijl Rozanovs eerdere, theoretische, werk soms bijna niet om door te komen is vanwege de lengte en de hoeveelheid informatie, gaat het nu om een opvallend modern aandoende collage. Het bestaat uit losse aforismen, parabels, anecdotes, fragmentarische herinneringen aan personen en boeken, indrukken uit het dagelijks leven, korte kritieken van andere schrijvers en wat langere polemische stukken over zijn favoriete thema's: religie, seks en gezin.

Harp

Wat Rozanov in het Christendom tegenstond had hij eerder, in uitgebreide en vaak zeer abstracte beschouwingen, uit de doeken gedaan. In kernachtige en prikkelende uitspraken komt de essentie ervan terug in het zelfportret. Het Christendom verheerlijkt de ascese en het lijden en ontkent daarmee het leven: “er groeit geen gras op”. “Om de een of andere geheimzinnige en onverklaarbare reden hebben de mensen nooit bedacht dat het Evangelie een religieus-koud boek is, om niet te zeggen een religieus-onverschillig. Waarin niet gezongen wordt, niemand blij is, in verrukking raakt, of naar de Hemel kijkt. (-) En waarom nam Christus geen enkele maal de harp in de hand, de fluit, de citer en heeft Hij geen enkele keer "een gezang aangeheven'?” In een aforisme onder het kopje "de kern der dingen' concludeert Rozanov: “We hebben geknield voor de religie van het ongeluk. Is het verwonderlijk dat we zo ongelukkig zijn?”

Tegelijkertijd is Rozanov uitgesproken religieus, maar op zijn eigen manier. “Mijn God is een bijzondere God. Hij is alleen mijn God; en verder van niemand. Als hij "van nog iemand' is: ik weet er niets van en het interessert me niet. "Mijn God' is mijn eindeloze intimiteit, mijn eindeloze individualiteit.” Die eindeloze intimiteit en individualiteit zijn bij Rozanov diep in de aarde geworteld en zijn God is dan ook door en door aards, en meer verbonden met seks dan met de geest. Het ascetisme is niets anders dan een bokkesprong van seksueel onvolwaardige mensen, die niet in staat zijn er een normaal gezinsleven op na te houden en die op de keper beschouwd van God verstoken zijn. Want het ware gezicht van God is liefhebbend, medelijdend en welwillend tegenover vleselijke geneugten.

Typerend is de volgende liefdesverklaring aan aarde en God:

“Ach, de wereld wordt nog niet koud. Dat lijkt maar zo. Warmte is haar wezen, liefde is haar wezen.

En donker van kleur. Blozende wangen. En de boezem van de wereld. En de geheimen van haar schoot.

En de kleine Rozanov, weggescholen tegen haar boezem. Waar hij eeuwig melk uit zuigt. En ik houd van deze tepel van de wereld, donker van kleur en welriekend, met een enkel haartje eromheen. En mijn handpalmen houden deze veerkrachtige borsten vast, en de Gebieder van de aarde heeft in de verten van zijn kennis weet van mij en behoedt mij.

Hij geeft mij melk en daarmee wijsheid en vuur.

Dat is de reden dat ik God liefheb.''

Aan alle onderwerpen die hem bezighielden heeft Rozanov lijvige boekwerken gewijd, die een onuitputtelijke hoeveelheid gedachten bevatten en bijna evenveel veranderingen van gedachten. Wie probeert dit alles in kaart te brengen zal, vrees ik, onherroepelijk stranden. Maar wat wel duidelijk is - uit wat hij zelf schrijft of uit getuigenissen van kennissen - is dat veel van Rozanovs denkbeelden op bijna fysieke wijze voortsproten uit zijn eigen geaardheid. Tegenover Hollerbach bekende hij bij voorbeeld dat hij wanneer hij aan zijn bureau zat vaak met zijn linkerhand de "bron van alle inspiratie' vasthield - "dan lukt het schrijven beter' - en aan een andere kennis vertelde hij dat een lumineuze gedachte soms gepaard ging met een orgasme. Zijn filosofische verhandelingen tegen het positivisme vonden hun oorsprong in zijn eigen gehechtheid aan intuïtie en gevoel. Ook hadden veel van zijn geschriften te maken met de omstandigheden waarin hij verkeerde. Dat hij zo uitvoerig over echtscheiding schreef, kwam voor een groot deel voort uit het feit dat zijn eerste vrouw - de veel oudere en zeer grillige Apollinaria Soeslova, eerder de geliefde van Dostojevski - weigerde zich van hem te laten scheiden; en zijn beschouwingen over het gezinsleven waren er waarschijnlijk niet geweest zonder zijn gelukkige verbintenis met de vrouw die hem vijf kinderen schonk en die hij in Solitaria en Gevallen bladeren "mijn vriendin' noemt, Varvara Roednjova.

Het is moeilijk een hiërarchie in thema's aan te brengen. Heel belangrijk zijn in ieder geval literatuur en literaire roem, seksualiteit, het dagelijkse leven, de ziekte van Rozanovs "vriendin', God en de dood. Uiteindelijk zijn het allemaal "flarden van de ziel'. Het laatste werk, Apocalyps van onze tijd, is het meest cryptisch en ook het minst persoonlijk, maar door het visionaire geeft het een extra dimensie aan Rozanov als wijze, dwaze ziener. Zijn laatste jaren sleet Rozanov in armoede en ontbering. Roednjova was gestorven, er heerste oorlog, honger en kou. Het was bijna onmogelijk om nog iets gepubliceerd te krijgen. Rozanov bleef schrijven, want dat was een innerlijke noodzaak voor hem. Maar in Apocalyps staat tussen de notities over religie, revolutie en apocalyps een oproep "aan de lezer, als hij mijn vriend is': “Ik ben moe. Ik kan niet meer. Twee, drie handen meel, twee, drie handen grutten, vijf hardgekookte eieren kunnen vaak mijn dag redden... Bewaar, lezer, je schrijver....”

Pornografie

Had hij in onze tijd geleefd, dan was het Rozanov voor de wind gegaan. Tijdens zijn leven werd hij uitgescholden voor opportunist en immoralist en werden zijn geschriften regelmatig verboden wegens "pornografie' en "heiligschennis', maar nu verschijnt er in Rusland de ene uitgave van zijn werk na de andere. Intellectuelen dragen hem op handen maar ook de gewone man, die op het moment toch andere zaken aan zijn hoofd lijkt te hebben dan filosofie en literatuur, loopt met hem weg. Vanwaar die Rozanov-boom?

Voor een deel zal de verklaring liggen in het feit dat iedereen bij Rozanov wel iets van zijn gading vindt. Schelden op de revolutie, op de joden, op politiek in het algemeen - Rozanov deed het zo'n drie kwart eeuw geleden al. Godsdienst en seks, godsdienst van de seks - alles mag. Rozanov schreef over zaken die de Russen van nu, naast de zorg om het dagelijks brood, sterk bezighouden. Daarvan kun je je overtuigen wanneer je door Moskou of Petersburg loopt en kijkt naar de boeken die er op de tafels in de straten en bij metrostations uitgestald liggen. Bijbels en bijbelcommentaren, boekjes over Zen en Jehova, handleidingen voor gezin en seksualiteit, pornografie. In de metrogangen onder de grond worden monarchistische en antisemitische blaadjes uitgedeeld. De elk-wat-wils-verklaring op zichzelf is natuurlijk te simpel, maar hangt wel samen met wat mij de diepere oorzaak van zijn populariteit lijkt. Het Rusland van Rozanov - aan de vooravond van de revolutie - leek in een aantal opzichten op het Rusland van nu. Er heerste een nerveuze crisissfeer, men voorvoelde een catastrofe, de chaos was totaal.

“Met geratel, geknars en geraas daalt een ijzeren gordijn neer over de Russische geschiedenis.

- De voorstelling is afgelopen.

Het publiek verrijst.

- Het is tijd de jassen aan te doen en naar huis te gaan.

Maar jassen noch huizen zijn te vinden.''

De woorden zijn van Rozanov, maar ze hadden net zo goed in onze tijd geschreven kunnen zijn. Wanneer elke maatschappelijke en politieke structuur zoek lijkt en de buitenwereld geen enkele soelaas meer biedt, zoekt men zijn heil al gauw in zijn eigen, intieme sfeer. En dat is precies wat Rozanov doet: hij verheerlijkt de ongebreidelde subjectiviteit.