Terug naar af

HET PANIEKVIRUS heeft toegeslagen in de computers van het Centraal Planbureau. De harde gulden tast de concurrentiepositie aan, Nederland staat aan de rand van de afgrond en slechts verregaande loonmatiging kan een ineenstorting van de economie voorkomen. CPB-directeur Zalm, gewoonlijk goed voor provocerende stellingen, heeft zich onomwonden geschaard achter het ongedifferentieerde standpunt van de werkgevers dat alle looneisen boven nul procent te hoog zijn.

Nu moet het sombere scenario van het CPB enigzins worden gerelativeerd. Vorig jaar kwam het CPB laat tot het inzicht dat de conjunctuur was omgebogen richting stilstand, wat op Prinsjesdag leidde tot het indienen van een begroting waarvan de macro-economische onderbouwing diezelfde dag van nul en generlei waarde werd verklaard. Nu kan het CPB de omslag richting herstel ook wel eens te laat signaleren. De inmiddels ingezette rentedaling is als de krokussen op het Haagse Lange Voorhout: het is een teken dat de economische winter voorbij is.

Niettemin, op de korte termijn gaat het slecht met de Nederlandse economie. Het ligt voor de hand dat in een behoorlijk functionerende arbeidsmarkt de loonstijging stevig wordt afgeremd. Het probleem van Nederland is evenwel dat loonmatiging als bliksemafleider voor structurele problemen wordt gebruikt. Collectief pas op de plaats maken houdt de starheid van het loongebouw in stand.

BEGIN JAREN TACHTIG stond de Nederlandse economie er slecht voor. Structureel zat het mis, de werkgevers waren veel te lang meegegaan met de overspannen eisen van de vakbeweging en de overheid had de sociaal-economische veranderingen afgekocht door de bodem uit de schatkist te halen en op de pof te besturen. Loonmatiging was toen een onmisbaar element om de Nederlandse economie weer winstgevend te maken. Het heeft gewerkt: de winstgevendheid van het bedrijfsleven ging met sprongen vooruit, de investeringen namen toe en de banengroei was groot. De deelname van vrouwen aan het arbeidsproces, waar Nederland traditioneel was achter gebleven bij de rest van Europa, verbeterde sterk.

De loonmatiging is vervolgens doorgezet. Het was een gemakkelijke bezweringsformule die de druk wegnam om drastischer te snijden in de overheidsuitgaven en de salarissen van (semi-)ambtenaren, waar de overheid als werkgever te maken heeft met sterke vakbonden. De Nederlandse vakbeweging vertegenwoordigt voor zestig procent de publieke en gepremieerde sector. Bovendien konden dank zij de loonmatiging overheid en sociale partners ingrepen in het stelsel van sociale zekerheid voor zich uitschuiven. Het gevolg was een bestendiging van het gebrek aan dynamiek in de Nederlandse economie.

In Europees verband kenmerkte Nederland zich weliswaar door hoge bruto loonkosten, maar netto werd het een laag-lonenland. Anders gezegd: met het buitenland concurreert Nederland niet op kwaliteit maar op prijs. Dit vertaalde zich in een absurd oplopend overschot op de betalingsbalans. Deze graadmeter van economische gezondheid krijgt in open markten minder aandacht dan vroeger, maar het Nederlandse overschot duidt op chronische onderbesteding. Aangezien de overheid meer uitgeeft dan zij ontvangt, is de onderbesteding te vinden bij het bedrijfsleven dat onvoldoende in eigen land investeert en bij de particuliere sector die te weinig consumeert.

DE KEUZE IS TUSSEN matiging of dynamiek. In Nederland is sinds 1980 de arbeidsproduktiviteit spectaculair gestegen. Maar mensen met een baan hebben daarvan in hun beloning vrijwel niets teruggevonden: de gemiddelde loonstijging over al die jaren hield gelijke pas met de geldontwaarding. Waar is de opbrengst van de produktiviteitstoename gebleven? Die is verdeeld onder het groeiende aantal mensen met een uitkering. Deze groep van studenten, bejaarden, arbeidsongeschikten, werklozen en al die andere uitkeringsgerechtigden is sinds 1980 met veertig procent toegenomen. De herverdeling verklaart de Nederlandse paradox van stijgende produktiviteit en achterblijvende welvaartsgroei: mensen met een baan mogen niet meer verdienen en niet-werkenden kunnen niet meer verdienen. Nederland kiest voor collectieve matiging en niet voor differentiatie.