"Taxi' is eerste soloplaat in zeven jaar; De melancholische "herinterpretaties' van Bryan Ferry

Sinds zijn invloedrijke popgroep Roxy Music er mee ophield, doet Bryan Ferry het wat rustiger aan. Taxi is zijn eerste soloplaat in zeven jaar, met drastische herbewerkingen van bestaande popsongs.

Halverwege het interview in een zonnige Amsterdamse hotelsuite, trekt Bryan Ferry zijn jasje uit. Met een treurige blik wijst de zanger op een duimdik gat in de voering van het scherp gesneden colbert. “Jammer genoeg,” zucht hij, “heb ik geen echtgenote getroffen die mijn kleren kan verstellen.”

Het leven van een gewezen popster gaat niet over rozen. Tien jaar geleden kwam er een definitief einde aan Roxy Music, de groep die een belangrijk stempel drukte op de Britse popmuziek van de jaren zeventig. De mijnwerkerszoon Bryan Ferry presenteerde zichzelf als een toonbeeld van stijl; altijd goed in het pak en omringd door vamps en fotomodellen. Terwijl zijn vroegere muzikale handlanger Brian Eno furore maakte als grondlegger van de avantgarde sfeermuziek, "ambient music' genaamd, en als veelgeprezen poducer van U2, startte Ferry een moeizame solocarrière. Na eerdere solistische uitstapjes als het geheel met composities van anderen gevulde album These Foolish Things, dat in wezen een luchtige voetnoot vormde bij de hoogdravende artistieke pretenties van Roxy Music, stond hij er nu werkelijk alleen voor. In zijn poging om het succes van het laatste groepsalbum Avalon te evenaren, verloor Ferry zich in perfectionisme en zelfkritiek. Gedurende de jaren tachtig voltooide hij slechts twee platen waarvan de laatste, het teleurstellende Bête Noire, uit 1986 stamt. De Casanova van de rock liet zich opsluiten in opnamestudio's, waar hij de strijd aanbond met het writer's block.

Geen wonder dat Taxi, zijn eerste album in zeven jaar, opnieuw voor het grootste deel bestaat uit covers. “Herinterpretaties,” noemt de 47-jarige zanger ze liever, “want het heeft geen zin om andermans nummers op te nemen als je niet in staat bent om er een volstrekt nieuwe lading aan te geven.”

Zijn gebrek aan produktiviteit wijt hij aan de verbeterde stand van de opnametechniek, waardoor hij steeds beter in staat is om te schaven, te sleutelen en te poetsen aan zijn muziek. “Bij Roxy Music gebruikten we betrekkelijk eenvoudige apparatuur. In de jaren tachtig werden de opnamefaciliteiten steeds geavanceerder. In plaats van 24 sporen waren er opeens 48 of zelfs 56 sporen die met geluid gevuld konden worden. Omdat ik pas tevreden ben als alle mogelijkheden geprobeerd zijn, duurt het steeds langer voordat ik een muzikaal idee volledig heb uitgewerkt. Pas daarna begin ik aan een eventuele tekst. Helaas is het niet meer mogelijk om, zoals in de begindagen van Roxy Music, binnen enkele weken een compleet album te voltooien.”

Bryan Ferry wil bij deze gelegenheid liever niet praten over Horoscope, een plaat met zelfgeschreven materiaal die weliswaar af is, maar die pas in een later stadium het daglicht zal zien. Taxi bevat drastische herinterpretaties van uiteenlopende popklassiekers als Will You Still Love Me Tomorrow van the Shirelles, I Put a Spell on You van Screamin' Jay Hawkins en All Tomorrow's Parties van The Velvet Underground.

Dit muzikale rariteitenkabinet draagt onmiskenbaar Ferry's stempel. Meer dan ooit klinkt hij als de naar adem happende gentleman, die zijn teksten brengt met een mengeling van melancholie en theatrale overdrijving. “Vier van de tien nummers werden oorspronkelijk gezongen door vrouwen,” constateert hij tevreden. “Met The Velvet Underground voelde ik me altijd verwant, vanwege onze gedeelde interesse voor de kunstwereld. Ik kwam van de kunstacademie, en zij hingen rond in de buurt van Andy Warhol. Des te groter was de uitdaging om een nummer van hun zangeres Nico opnieuw te interpreteren, maar nu vanuit een mannelijk perspectief. Die schijnbare tegenstelling levert spannende muziek op. Evengoed als het voor sommige mensen een grote verrassing zal zijn dat ik me waag aan een nummer van Screamin' Jay Hawkins, de wildeman van de rhythm & blues.”

De jaren zeventig staan volop in de belangstelling, nu jonge Britse groepen als Suede, The Quireboys en The Auteurs schaamteloos teruggrijpen op de voorbeelden die hen werden aangereikt door respectievelijk The Faces, Mott The Hoople en Roxy Music. Die opwelling van nostalgie is hem niet vreemd, bekent Ferry. “Zelf denk ik nog vaak terug aan 1973, het beste muziekjaar waar ik rechtstreeks bij betrokken was. In sfeer heeft mijn nieuwe plaat wel iets weg van For Your Pleasure. Het belangrijkste verschil is dat ik niet langer deel uitmaak van een hechte muzikantenclub. Toen had ik Eno met wie ik strijd kon leveren over onze artistieke richting, en fenomenale instrumentalisten als onze saxofonist Andy Mackay om er uitvoering aan te geven. Als ik nu op tournee ga, of zomaar een muzikaal idee uit wil werken, vergt het een enorme organisatie om de juiste mensen bij elkaar te vinden. Ik mis de optredens en het applaus enorm. Maar ik vrees dat het er dit jaar weer niet van zal komen.”