Somnium Harryi

De schrijver nipt aan zijn glas champagne en neemt nog een lepeltje kaviaar. Hij kijkt langs de feestelijk gedekte tafels en luistert naar het zenuwachtig geroezemoes. Iedereen wacht op het moment dat de voorzitter van de jury naar het katheder zal lopen om de winnaar bekend te maken.

Goed beschouwd kan er eigenlijk niets misgaan. Om te beginnen is zijn boek verreweg het dikste. Negenhonderd pagina's! Vergelijk dat eens met de genomineerde werkjes van zijn concurrenten: twee, drie, vier keer zo dik is zijn boek. Zijn magnum opus, een proeve van onvergankelijke schoonheid, is het in al die juichende recensies genoemd. Vergelijk dat eens met die dunne romannetjes van zijn rivalen.

De schrijver kijkt de zaal nog eens rond en merkt tot zijn tevredenheid dat alle blikken op hem zijn gericht. In Duitsland is zijn boek al een enorm succes geworden. De Frankfurter Allgemeine sprak van "een Faustisch-humanistisch levenswerk", de Süddeutsche heeft het vergeleken met de Wahlverwandtschaften van Goethe en de Welt am Sonntag heeft hem zelfs getipt voor de Nobelprijs. De jury zou zich volstrekt belachelijk maken, als zij hem vanavond zou passeren.

De schrijver glimlacht minzaam naar de directeur van de boekhandelketen, die tegenover hem zit. Nee, de juryleden hebben werkelijk geen andere keus. En zelfs als zij anders zouden willen zouden zij niet anders kunnen. Hij is bovendien 65 jaar, de oudste van de genomineerden. Dit is misschien het laatste grote boek dat hij zal schrijven. Dat beseft de jury ook. De P.C. Hooftprijs, de Multatuliprijs en alle andere prijzen heeft hij al een keer gekregen, dus als men hem nog één keer wil huldigen, dan is dit de gelegenheid.

De schrijver ziet vanuit zijn ooghoek hoe de burgemeester van de stad hem geruststellend toeknikt. Dat zit wel goed, denkt de schrijver. Van die kant is zeker geen gevaar te duchten. De laatste jaren heeft hij op goede voet gestaan met de macht, wat met een politicus als voorzitter van de jury natuurlijk een groot voordeel is. Hij weet het niet zeker, maar het zou hem niet verbazen, wanneer de minister-president op een onderonsje in Brussel nog even een goed woordje voor hem heeft gedaan.

De schrijver steekt een pijp op. Hij ziet hoe de voorzitter van de jury naar het katheder loopt en het juryrapport ontvouwt. Cameramensen en fotografen rukken op naar zijn tafeltje. De schrijver voelt hoe hij het middelpunt wordt in een draaikolk van aandacht. Hij geniet, want meer dan ooit heeft hij het gevoel dat de hele wereld bij hem op audiëntie komt. Het is nu zaak om waardig te blijven, om de prijs in ontvangst te nemen alsof die hem al sinds zijn geboorte heeft toebehoord.

“En de winnaar is...”.

In de pauze die de voorzitter van de jury laat vallen, rijst de schrijver van zijn stoel, elegant, monumentaal en zeker van zichzelf als een veldmaarschalk, die zojuist de capitulatie van het vijandelijke leger met zijn handtekening heeft bekrachtigd.

“En de winnaar is Kristien Hemmerechts!!”.

De schrijver wankelt. Het is niet waar. Heeft hij het goed gehoord? Kristien wie? Doet die ook mee? Een loomheid trekt door zijn benen en de schrijver voelt hoe zijn knieën beginnen te knikken. Verdoofd wil hij in zijn stoel terugzakken, maar het flitslicht brengt hem weer bij bewustzijn. Hij begint te lopen, onzeker, stuurloos, hij weet niet precies waarheen. Hij moet de winnares feliciteren, als eerste, als een man van eer.

Maar hij kan haar niet vinden. Het lijkt wel of een plotselinge mist bezit heeft genomen van de feestzaal. Voor hem ontspringt uit de vloer een kolkende rivier en heel duidelijk hoort hij een hond blaffen. Hij moet rustig blijven, maar het lukt hem niet en hij begint te rennen als een bezetene. Als hij omkijkt, ziet hij een jouwende menigte, gewapend met flitslampen en telelenzen. Hij rent, naakt, want zijn kleren heeft hij verloren of zijn hem van het lijf gerukt. Hij rent, rent en rent, tot de hemel openscheurt in een verblindend Licht. Hij schreeuwt.

“Wat is er? Wakker worden!”. De schrijver opent de ogen en kijkt in het vriendelijke gezicht van een vrouw. Zij streelt zijn klamme voorhoofd. “Maar Harry”, zegt ze, “maak je geen zorgen. Het komt allemaal dik in orde”.