Schijnzege van Europese auto-industrie; Japan ontloopt protectionisme EG door hogere produktie in Europa zelf

TOKIO, 2 APRIL. Vertegenwoordigers van de Europese Gemeenschap die gisteren in Tokio een akkoord hebben gesloten met hun Japanse collega's over de export van Japanse auto's naar Europa, hebben een schijnoverwinning behaald. Op papier zien de resultaten er voor de EG mooi uit: de Japanse auto-industrie heeft zich bereid verklaard haar export naar Europa met 9,4 procent "vrijwillig' te verminderen. Dat is een fors percentage maar in de overeenkomst is niet de verkoop inbegrepen van auto's die Japan in Europa maakt. Dat laatste stoort met name de Fransen.

Drie Japanse autoconcerns hebben al fabrieken in de EG: Toyota, Nissan en Honda. Terwijl Mitsubishi (NedCar) en Mazda ook plannen in die richting hebben. De plannen van Mitsubishi verkeren wat dat betreft zelfs in een vergevorderd stadium. Terwijl Mazda, nadat de Duitse joint-venture met Ford vorige maand afketste, nog op zoek is naar een partner.

Met hun vestigingen in de EG omzeilen de Japanse autofabrikanten het Europese protectionisme, waarbij de Japanners overigens overal warm worden onthaald en met tal van financiële faciliteiten worden beloond. Het levert het land van vestiging tenslotte werk, inkomen en toeleveranties op. De president van Toyota, dat eind vorig jaar zijn eerste fabriek in Engeland opende, werd dan ook pontificaal ontvangen op Downing Street 10.

Daartegenover woedt het protectionisme van de EG, dat krachtig wordt gevoed door de Europese auto-lobby, met Frankrijk als aanvoerder. Sinds de recessie op de Duitse automarkt hebben de Fransen een belangrijke bondgenoot gekregen in Duitsland. Tot voor kort hadden de Duitse fabrikanten van BMW en Mercedes geen last van de Japanse concurrentie. Maar dat is veranderd sinds Japan ook dure auto's naar Europa exporteert.

In het kader van de eenwording van de Europese markt heeft de EG met ingang van 1 januari 1993 alle nationale beperkingen op de invoer van auto's opgeheven. Die beperkingen werden tot dan toe met name door Frankrijk en Italië opgelegd aan Japan, om hun eigen, kwetsbare auto-industrie af te schermen van de Japanse auto's, die bij de consument vanwege de kwaliteit en relatief goedkope prijs erg in trek zijn.

Om te voorkomen dat vanaf 1993 met name de Franse en Italiaanse autokopers massaal zouden kiezen voor een Japanse auto besloot de EG vroegtijdig onderhandelingen te openen met de Japanse regering. In 1991 kwam het tot een concensus, ten einde "marktverstoring' tegen te gaan. Japan zou tot aan het eind van deze eeuw een overgangsperiode in acht nemen om de Europese auto-industrie in staat te stellen orde op zaken te stellen en haar auto's internationaal concurrerend te maken. Een probleem tegen de achtergrond dat de meeste Europese fabrikanten veel duurder produceren dan hun Japanse concurrenten.

Tot 2000 zou de jaarlijkse export van Japanse auto's beperkt blijven tot uiteindelijk 1,23 miljoen auto's in 1999. Bovendien werd afgesproken elkaar jaarlijks te raadplegen en daarbij rekening te houden met marktontwikkelingen, zoals fluctuaties in de Europese vraag naar auto's. De consultatie voor 1993 is sinds gisteren achter de rug waarbij zich tijdens de onderhandelingen de complicatie voordeed van de afschaffing van de nationale restricties in het kader van 1992. Japan (lees Miti, het ministerie van internationale handel en industrie) legde zich uiteindelijk neer bij het standpunt van Brussel dat de Europese automarkt door de Europese recessie dit jaar krimpt met 6,5 procent tot 13,040 miljoen auto's en de Japanse export zodoende met 9,4 procent zou moeten verminderen tot 1,089 miljoen auto's. Een aantal dat overigens ruim onder het streefcijfer ligt van 1999. Daarmee komt het Japanse marktaandeel in de EG voor dit jaar op nog geen 8,4 procent.

Daarbij is vooral op de recessie op de Duitse automarkt gelet. Maar omdat in dit geval van conservatieve schattingen is uitgegaan zal de vermindering van de Japanse export naar Duitsland de Duitse industrie wellicht lelijk tegenvallen. Vijf Europese landen (Frankrijk, Engeland, Spanje, Portugal en Italië) krijgen te maken met meer invoer uit Japan. Omdat in plaats van de afgeschafte restricties voortaan invoerquota zullen gelden die “progressief” stijgen om deze landen “voor te bereiden” op het einde van de overgangsperiode, zo luidt tenslotte de concensus. Alleen voor Italië zal de stijging minder scherp zijn dan aanvankelijk gepland, omdat dit land met een inkrimping van de markt van 8,5 procent wordt getroffen door “de ergste recessie in ten minste twintig jaar”, zoals een EG-functionaris in Tokio gisteren uitlegde.

Behalve in Duitsland worden ook in Nederland, België, Luxemburg, Griekenland en Denemarken door het gisteren gesloten akkoord minder Japanse auto's ingevoerd. Overigens daalde de Japanse export naar de EG vorig jaar al met zes procent en kromp het totale Japanse marktaandeel in heel Europa voor het eerst van 12,63 naar 11,96 procent (de auto's die Japan in Europa maakt meegerekend).

Miti zal de afgesproken export van 1,089 miljoen auto's voor dit jaar verdelen over de Japanse autofabrikanten. Daarbij zal Miti de fabrikanten die wel vestigingen hebben in Europa minder en de concerns die geen vestigingen hebben meer geven van de te verdelen taart. Dat zal in de hand werken dat de Japanse fabrikanten met vestigingen in Europa hun produktie daar zullen opvoeren, waarmee ze trouwens in hun capaciteitsstrategieën al rekening hebben gehouden. Strategieën die overigens dateren uit de tijd van de Japanse hoogconjunctuur, toen investeren voor de Japanse industrie wereldwijd spotgoedkoop was. Zo had Nissan al plannen om in Engeland zijn produktie dit jaar op te voeren met 51 procent tot 278.000 auto's, waarvan 90 procent wordt geëxporteerd, het leeuwedeel naar het Europese continent. Toyota opende vorig jaar zijn eerste fabriek in Engeland met een capaciteit van 100.000 auto's, waarbij wordt gestreefd naar een verhoging tot 200.000 auto's.