Raadsels in Gethsemane

Thans leven wij in de lijdensweken. Waren er daar niet zes van? Hoe dan ook: in die lijdensweken werd er in mijn jeugd zondag na zondag gepreekt over het lijden van Christus.

In de schrilste kleuren werd zijn doodsstrijd te Gethsémane geschilderd. In Mattheus 26 vers 36 tot 46, Marcus 14 vers 32 tot 42, Lucas 22 vers 39 tot 46 wordt in vrijwel gelijkluidende bewoordingen verhaald hoe Jezus met zijn discipelen naar Gethsémane gaat, tegen negen van hen zegt: “Zet u hier neder”, en met drie van hen, Petrus, Jacobus en Johannes, verder trekt. Daarna zondert Jezus zich af en bidt. In Lucas vinden we twee merkwaardige toevoegingen aan het verhaal van Mattheus en Marcus. Lucas deelt mee dat er een engel verschijnt om Jezus kracht te geven. Veel helpt dat blijkbaar niet, want één vers verderop staat: “En zijn zweet werd als bloeddruppels.” Die bloeddruppels werden jaar in jaar uit in de lijdensweken met nadruk gememoreerd. Maar nooit werd deze simpele vraag beantwoord: wie heeft er gezien dat zijn zweetdruppels veranderden in bloeddruppels? En ook die andere vraag bleef altijd onbeantwoord: wie heeft er gehoord dat Jezus in Gethsémane bad? Hij neemt weliswaar drie discipelen mee, maar daarna staat er: “En hij zonderde zich van hen af, ongeveer een steenworp ver, knielde neer en bad.” Kun je als iemand "een steenworp ver' bidt, zonder richtmicrofoon, nog horen wat hij zegt? Hoe ver is een steenworp? Toch gauw zo'n tien tot vijftien meter. Als iemand op tien meter afstand van je zit te bidden kun je, zelfs op een windstille voorjaarsavond, niet horen wat hij zegt, tenzij hij heel luid schreeuwt. We nemen toch niet aan dat Jezus in Gethsémane heeft zitten brullen. En richtmicrofoons bestonden toen nog niet.

Maar dat is nog niet alles! Als Jezus "op een steenworp afstand' gebeden heeft, loopt hij terug naar zijn drie discipelen en vindt hen slapende. In Lucas blijft het daarbij, in Mattheus en Marcus herhaalt zich het gebeuren. Jezus zondert zich weer af, bidt weer, loopt weer terug, en vindt zijn discipelen weer slapende. Of een en ander nu tweemaal gebeurd is, dan wel slechts een keer, onverlet blijft dat Jezus zich volgens alledrie de evangeliën op een steenworp afstand bevond, tot God bad, terugliep en zijn discipelen slapend aantrof. Daaruit volgt de simpele conclusie dat Petrus, Johannes en Jacobus nooit gehoord kunnen hebben wat Jezus bad. Niettemin wordt dat gebed, met daarin de befaamde beker die Jezus weggenomen wil zien, uitvoerig gememoreerd in de Heilige Schrift.

Natuurlijk geldt in feite voor alles wat Jezus in het Nieuwe Testament in de mond wordt gelegd dat het moeilijk te geloven is dat hij al die uitspraken ook werkelijk zo gedaan, al die gelijkenissen ook werkelijk zo verteld en al die vermaningen ook werkelijk zo uitgesproken heeft. Taperecorders waren er nog niet, nergens wordt vermeld dat een stenograaf bijhield wat hij zei, en als een en ander via mondelinge overlevering tot ons is gekomen, houd je je hart vast voor alle veranderingen die er noodzakelijkerwijs in al wat eventueel gezegd is, zijn binnen geslopen. Maar goed: bij al wat Jezus in het Nieuwe Testament zegt, zijn derden aanwezig die zijn woorden op de een of andere manier geregistreerd kunnen hebben. Bij het gebed dat hij uitspreekt in Gethsémane liggen zijn discipelen echter op een steenworp afstand te slapen. Niemand kan dat gebed gehoord hebben. Toch staat het in de bijbel. En hoe kunnen de slapende discipelen de engel gezien hebben die hem in het evangelie van Lucas kracht geeft? En die bloeddruppels op zijn voorhoofd? Waren daarvan nog stolsels aanwezig toen hij terugliep naar zijn discipelen?

In het evangelie naar Johannes ontbreekt het verhaal over Gethsémane en de slapende discipelen. Het verhaal dat in Mattheus, Marcus en Lucas onmiddellijk na Gethsémane volgt, heeft Johannes ook: de gevangenneming en het verraad van Judas. (Als kind heb ik nooit begrepen waarom Jezus verraden moest worden. Hij was toch net zo iemand als onze dominee, en als de politie onze dominee wilde oppakken hoefde toch niemand hem aan te wijzen? Iedereen in Maassluis wist toch hoe de dominee eruit zag?) Aan het verhaal over de gevangenneming gaat in het evangelie naar Johannes een kolossaal gebed vooraf van maar liefst zesentwintig verzen. Dat buitengewoon verheven, om niet te zeggen hoogdravende gebed wordt het Hogepriesterlijk gebed genoemd. Aan vele dominees heb ik in mijn jeugd gevraagd: waar bad Jezus dat gebed? Het antwoord luidde altijd: in de hof van Gethsémane. Als dat waar is, mogen wij hier van een groot raadsel spreken. Wie heeft dan dat kolossale gebed, te Gethsémane gebeden op een steenworp afstand van slapende discipelen, weten te registreren?

Niemand natuurlijk. Niemand heeft kunnen horen wat Jezus in Gethsémane bad. Niemand heeft die engel kunnen zien die alleen Lucas memoreert. Niemand heeft de in bloeddruppels veranderde zweetdruppels kunnen aanschouwen. Met andere woorden: wat hier verhaald wordt, is ook werkelijk niet meer dan een verhaal, kan op geen enkele wijze een betrouwbare, feitelijke weergave zijn van gebeurtenissen die zich echt hebben afgespeeld.

Als ik de predikanten in mijn jeugd teisterde met zulke problemen, werden ze altijd kwaad, zeiden ze altijd dat je zulke vragen niet stellen mocht, en werd mij altijd te verstaan gegeven dat ik simpelweg "gelovig moest aanvaarden'. Menigmaal kreeg ik zelfs te horen dat de duivel mij zulke gedachten inblies. Slechts één dominee ging serieus in op wat toch een legitieme vraag mag heten: hoe kan de bijbel omstandig verhalen over iets wat geen mens gehoord en gezien kan hebben. Volgens die voorganger was de oplossing eenvoudig deze: na zijn opstanding had Jezus aan zijn discipelen verteld wat hij "op een steenworp' afstand van hun sluimer in Gethsémane had gebeden en geleden. Mij leek dat toen weliswaar niet onmogelijk, maar ook hoogst onwaarschijnlijk. Wie vertelt nu door wat hij in zijn nood tot God heeft gebeden? Niettemin erkende die dominee tenminste dat zich hier een raadsel voordeed. En met die erkenning van het feit dat er sprake was van een raadsel was ik gelukkiger dan met die merkwaardige oplossing ervan. Wat mij vroeger hinderde was vooral dat je, lezend in de bijbel, op zoveel tegenstrijdigheden en onwaarschijnlijkheden stuitte, die nooit als zodanig erkend werden. Al wat dwaas en onbegrijpelijk was, werd altijd weggepoetst, weggeredeneerd, of daar moest je, gelovig aanvaardend, maar overheen lezen. Dat was niet alleen oneindig veel frustrerender dan het feit dat die raadsels moeilijk op te lossen waren, maar had bovendien tot gevolg dat zulke raadsels zich als dwanggedachten in je geest nestelden. Tot gek wordens toe bleef je erover tobben. Zelfs nu heb ik veel van deze raadsels nog altijd niet onschadelijk weten te maken. Zo ook het raadsel van de bloeddruppels in de hof van Gethsémane.