Pollie...!

Hoor ik haar nu? Nee, het is de seringentak die tegen het raam piept. Toch nog maar een keer roepen. Pollie!

Er gebeurt niks. “Ze komt wel terug,” zegt m'n moeder. “Ze is gewoon een paar dagen stappen.” We gaan weer zoeken. Mijn vader loopt de weg af, mijn moeder neemt het bos aan de overkant. En ik rij een blokje. Het ruikt naar lente, maar ik ben bang. Pollie!

's Nachts kan ik niet slapen. Ik kijk naar buiten. Daar loopt ze... het is Hannibal, de poes van de buren. Het katteluikje kleppert... het is de wind. Ja, daar onder de denneboom... het is een oude bloempot. Misschien zit ze wel in het huis naast ons. Dat staat leeg. Ze zijn het aan het verbouwen. Pollie!!

Vorige week werd ze 1 jaar. Er ligt nog een visje voor haar in de koelkast. Waar blijft ze nou? Ik hoor mauwen? Pollie!!!

We bellen de dierenambulance, we bellen het asiel, we bellen de politie en de gemeentereiniging, de groenvoorziening, de dierenarts. Hoe ziet ze er uit? vraagt de mevrouw van kattenzorg. Wat moet ik nu zeggen? Een Abessijnse prinses met afgezakte kniekousen?

“Goud, zilver en zwart gevlekt,” zeg ik, “met een witte bef.” “O, een schildpad,” zegt de mevrouw. Nou ja... Maar dan blijken er schildpadkatten te bestaan. Nee, ze is geen schildpad, ze is geen lapjeskat, ze is Pollie!

Misschien is ze een nieuw, wild leven begonnen, zegt de meneer van het politiebureau. Misschien is ze de wijde wereld ingetrokken, zegt de mevrouw van de dierenbescherming. Misschien is ze gevlucht voor het lawaai van hiernaast, zegt mijn moeder.

Curiosity kills the cat, zegt mijn vader.

Misschien ligt ze als ik morgen wakker word wel gewoon aan mijn voeteneind, denk ik.