Pinda's doppen en zeepsop kloppen; Boudewijn Buch over een jongensvriendschap

Boudewijn Büch: Het bedrog. Uitg. Atlas, 179 blz. Prijs ƒ 29,90 of ƒ 49,90 (gebonden).

Melancholie voert de boventoon in de romans van Boudewijn Büch. Zijn personages - of ze nu Winkler Brockhaus heten of gewoon Boudewijn Büch - lijden aan het leven, en zwelgen in de trauma's van een verprutste jeugd. Ze zijn depressief van aard, drinken of spuiten hun verdriet weg en dragen het hart op de tong. Weltschmerz is voor hen een levensvervulling, en dat maakt ze tot jonge-Wertherachtige romantici.

Olof Bergman, de verteller van Büchs zesde roman Het bedrog, komt de lezers van De kleine blonde dood en Het dolhuis bekend voor. Niet alleen kan hij het dwepen niet laten, hij leidt ook een zelfde leven als Büchs eerdere hoofdpersonen: eenzaam, werkend in een cultureel beroep, vaak op reis, en voortdurend gekweld door herinneringen aan de haat-liefdeverhouding met zijn dominante vader. Iemand als de schrijver zelf dus, als we de biografische interviews met Boudewijn Büch mogen geloven.

Het bedrog is het verhaal van een hechte vriendschap die bijna dertig jaar duurt. Olof Bergman en Sander Geelkamp ontmoeten elkaar voor het eerst op het schoolplein, bij het ruilen van plakplaatjes voor de Ik weet het-encyclopedie van een bekend margarinemerk. Hoewel ze weinig met elkaar gemeen hebben - "Sander speelde de vrouwenveroveraar, ik speelde Werther' - worden ze onafscheidelijk. Als Haarlemse gymnasiasten, Amsterdamse studenten, en uiteindelijk gearriveerde dertigers hebben ze eindeloze, met drank overgoten gesprekken; Sander vindt bij Olof een willig oor voor zijn seksuele indianenverhalen, Olof zoekt in zijn vriend de troostende vader die hij nauwelijks gehad heeft, en die na een incestschandaal het huis verliet.

In korte hoofdstukjes met veel springerige flashbacks - het handelsmerk van de feuilletonistisch ingestelde Büch - wordt verteld hoe de ideale vriendschap verkeert in "cult, sentiment' en definitief ten einde komt wanneer Olof weigert het spectaculaire huwelijksbedrog van zijn vriend nog langer goed te praten: "Sander, ik accepteer niets meer. Ik denk er eerst een paar weekjes over na en dan zie ik wel. Geloof mij: het is een roman, een gruwelboek.'

De teloorgang van een jongensvriendschap is een romantisch thema, en Boudewijn Büch heeft in het verleden bewezen dat hij een verhaal vol sentiment goed kan vertellen. Maar Het bedrog is een teleurstellend boek - vooral omdat het zo klunzig geschreven is. In de eerste honderd bladzijden struikelt de lezer over de tenenkrommende zinnen en onwaarschijnlijke dialogen. Olof praat over "opgebroken' huwelijken en "satéstokkerige' meisjes; Sander "had een ongelooflijk vermogen tot het vertellen van anekdoten'; en wanneer de veertienjarigen elkaar voor het eerst spreken, zegt de een tegen de ander: "Heb jij plaatjes van Ik weet het over? Ik heb gehoord dat jij er een stel dubbel moet hebben.'

Even hinderlijk is de studentikoze afwisseling van plechtstatig en populair taalgebruik - in eerdere romans van Büch ook al niet het sterkste punt. In Het bedrog is "gauw' altijd "spoedig' en "niet graag' bij voorkeur "ongaarne'. De verteller gebruikt woorden als "satyriasis' en "duaal masturberen' naast de banaalste synoniemen voor neuken en sexy vrouwen. De seksscènes zijn plat en gênant en doorgaans beschreven in goedkoop jongensboekenproza. Geen wonder dat je telkens weer terugdenkt aan de zelfverwijzende zin die Olof halverwege het boek uitspreekt: "Een slecht lopend zinnetje, daar heb je toch niet direct een ramp mee?'

Is er dan helemaal niets goed aan Het bedrog? Toch wel. Het tweede deel, waarin de nadruk ligt op de relatie tussen de hoofdpersoon en zijn vader, levert een paar roerende hoofdstukjes op. De kneuterigheid van de jaren vijftig - pinda's doppen en zeepsop kloppen - is humoristisch beschreven. En verrassend genoeg staan tussen de krakkemikkige zinnen ook passages die bewijzen dat Büch wel degelijk kan schrijven: het lyrische einde bijvoorbeeld ("Eindelijk volwassen. Ten slotte alleen'), of het moment dat de onbegrepen hoofdpersoon de muziek van de Animals ontdekt ("Daar stond ik op een schoolplein met een hart dat overliep van de Animals en niemand wilde naar mij luisteren'). Maar het is door Büch allemaal al eerder en beter gedaan. De enige echte verdienste van Het bedrog is dat je wordt herinnerd aan de kwaliteit van Het dolhuis en De kleine blonde dood.