"Onderwijs is een mooie, gevaarlijke krokodil'

De commissie-Van Es wil dat leraren anders gaan werken. Hoe denken leraren zelf over hun beroep? Rob de Rooy werd van idealist allengs meer vakman. Derde deel in een korte serie portretten.

AMSTERDAM, 2 APRIL. “Met huid en haar” verkocht hij zich aan het onderwijs, toen hij in 1975 leraar Nederlands werd op de Werkplaats Kindergemeenschap, ook wel bekend als de "Kees Boeke-school', in Bilthoven. “Het was een bijzondere tijd”, zegt Rob de Rooy (43), “er hing heel sterk iets in de lucht van maatschappijverbetering, de liedjes van Bob Dylan, nou ja, die hele sfeer.”

De "Werkplaats Kindergemeenschap', met afdelingen voor basis- en voortgezet onderwijs, was er ook de school naar: een progressieve school, in 1929 gesticht door de religieus socialist Kees Boeke. “Die weigerde over de openbare weg te lopen, omdat die met belastinggeld was aangelegd waar ook de defensie uit werd betaald.” De school richt zich op de ontplooiing van de gehele mens, leerlingen heten "werkers', leraren "medewerkers'.

De Rooy kwam er na een kortstondig leraarschap in Amsterdam en Utrecht. “Op mijn eerste school kreeg ik problemen met de directie, omdat ik me bij mijn voornaam liet noemen door de leerlingen. Op de "Kees Boeke'-school sprak tutoyeren vanzelf. “Ja, en natuurlijk blote voeten in de klas. Bloemen in je haar.”

Met zijn "werkers' deed hij vooral projecten. “Over voedsel, over afwijkende seksualiteit, noem maar op. Sommige leerlingen vroegen wel eens: wat heeft dat nou met Nederlands te maken? Achteraf denk ik ook wel dat we mooie dingen hebben beweerd die we niet waar konden maken. En als je het onderwijs wat formeler bekijkt - stonden de dt's op de juiste plaats, bijvoorbeeld - dan schoten we nogal tekort. Zulke fouten telde je natuurlijk niet mee. Het ging om de eigen ervaring.” In de schoolkrant dichtte hij, voor een collega: "Cijfers zijn voor jou keiharde gegevens/ maar kijk ik dan naar de precieze afmetingen/ van jouw voortuin?/ je zou beter moeten weten, toch/ verblindend zijn je tulpen.'

“Begin jaren tachtig zag je dat de sfeerverandering in de samenleving op school begon door te dringen. Onze ervaringen met het project-onderwijs speelden ook een rol: een slechte lesgever blijft ten slotte een slechte lesgever, ook in een project.” Sindsdien is het onderwijs zakelijker en ambachtelijker geworden. “Ik ben die ontwikkeling leuk gaan vinden. Vroeger vond ik het niet zo belangrijk om leerlingen liefde voor taal en literatuur bij te brengen of lastig te vallen met De Avonden. Nu wel.”

Is het vak ook zwaarder geworden? “Nou, heel veel leerlingen gaan naar een schooltype dat eigenlijk boven hun niveau is en dat vraagt van leraren veel extra inspanning en aandacht. Ze móeten van hun ouders gaan studeren, lijkt het wel. Tja, dat is een koekje van eigen deeg uit de jaren zestig, zou je kunnen zeggen.” Ouders zijn assertiever dan vroeger. “Soms slaan ze echt door. Dan bellen ze je thuis op omdat ze geen nietmachine kunnen vinden voor het werkstuk van hun kind. Of ze stappen al in de auto als je een onvoldoende geeft. Tja, dat is toch een ander soort mondigheid dan wij in de jaren zestig bedoelden.”

Hij houdt het vol, omdat “op school nog steeds een gemoedelijke sfeer hangt en ik het leuk vind met jonge mensen om te gaan”. Bovendien is hij het vak wat meer gaan relativeren. Sinds 1986 werkt hij een dag minder per week, hij schildert en fotografeert. “Het onderwijs is een krokodil. Je kan het een heel mooi beest vinden, maar als je te dichtbij komt verslindt hij je.”