Museumplein

In NRC Handelsblad van 26/2 en 5/3/1993 wordt het Museumplein-plan van architect Andersson zeer lovend besproken. Max van Rooy maakt in zijn titel zelfs een vergelijking met de Akropolis. Op de meeste elementen van dit plan wil ik niet ingaan, hoewel met enkele aanpassingen sterke verbeteringen zijn te realiseren. Eén aspect van kritiek moet echter nu genoemd worden, wil het nog effectief meegenomen kunnen worden. Het aspect: niveauverschillen.

In de artikelen wordt melding gemaakt van een talud van 5 à 6 meter hoog op de uitbreiding van het Stedelijk Museum. Andersson zegt daarover: “Deze helling moet je vooral zien als een illustratie van mijn streven naar weidsheid.” Prima, jammer genoeg gaat deze helling echter bijna zeker niet door, als Venturi's plan voor het Stedelijk gerealiseerd wordt. En ook op de maquette zien we dan het Museumplein als één grote platte vlakte. Andersson daarover. “De vlakte. Iemand rust uit op het gras - 20 kinderen rennen rond de bomen - 200 jongeren genieten van de zon - 2000 mensen luisteren naar een concert - 200.000 demonstreren voor vrede. Het Museumplein is open voor iedereen, altijd.” Bijbelse taal, zegt Van Rooy terecht, want er is geen rekening gehouden met de meest elementaire zeer aardse behoefte van de mens om een "aanleiding' te hebben om zich neer te vlijen. Ouderen meer dan jongeren, akkoord, maar zonder treden zaten ook die laatste waarschijnlijk niet om het Nationale Monument op de Dam. Kleine hoogteverschillen zijn onontbeerlijk om mensen te laten neerstrijken, ze geven een plek direct "drama'. Een kleine sprong sorteert af effect, het geeft een podium-idee, kinderen zijn niet voor niets gek op muurtjes om op te lopen, zij willen graag groter zijn en meer zien. Sprongen van 40 cm. zijn ideaal te verwerken in het dak van de parkeergarage.

Het plein moet het gevoel van "samenzijn' geven, van gemeenschappelijkheid. Daarvoor moet men elkaar zien en ook daarvoor zijn die sprongetjes nodig. Ze geven overzicht voor kind en volwassene, langs hoogtesprongen, op randen, zal men uitrusten of juist tot activiteit komen, zulke plekken inspireren. Denk hierbij aan een zitkuil in woonkamer of tuin, aan de glooiing van het plein voor Centre Pompidou in Parijs. Denk ook aan manifestaties als de huldiging van de voetballers in 1988 en het Vrij-Markt concert. Zonder goed zicht ontaardt het meebeleven van gebeurtenissen op een plein in frustratie, men kan niet uren op zijn tenen staan om over andere mensen heen te kijken. Mèt kleine niveau-verschillen ontstaat vanzelf een amphitheater, het is een bindend element. "Gewoon een grasveld' is niet voldoende om te dienen als ontmoetingspunt voor manifestaties, dan moet men overzicht hebben.

Mijn voorstel is dus om de randen van het Museumplein aan de west- en zuidzijde te verhogen tot ongeveer 1.20 m. en rekening te houden met vrij zicht op een plaats voor manifestaties. En daar dan op een garage-entree een podium te creëren met voorzieningen.