Minister snoert rechters verder in

Sinds jaar en dag wordt de rechterlijke macht in ons land geacht te opereren op basis van de stelregel: beter tien schuldigen buiten de gevangenis dan één onschuldige erin.

Of dat ooit letterlijk zo is bedoeld valt te betwijfelen, maar het is in elk geval een geruststellende gedachte voor de onschuldige burger dat je in dit land niet zonder gegronde redenen achter de tralies gaat. Zou dat nog steeds gelden? Er is reden tot twijfel, afgaande op de toespraak van minister Hirsch Ballin van justitie in Noordwijk tijdens het congres van rechterlijke ambtenaren in opleiding. De rechterlijke macht is volgens hem “te ver doorgeschoten in de rechtsbescherming van de verdachte”. Hirsch Ballin zegde de rechterlijke macht niet minder dan een "trendbreuk' aan waarin bescherming van de rechtsbelangen van de burger voorrang dient te krijgen boven rechtsbescherming tegen de overheid.

Het is een curieuze redenering, alsof het rechtsbelang van de burger niet mede rechtsbescherming zou omvatten. De burger die vandaag met reden van de overheid verwacht dat deze een inbreker in de kraag pakt eist morgen met evenveel reden dat de overheid hemzelf zorgvuldig bejegent in een fiscale strafzaak of een verkeersdelict. Vanwaar dan die tegenstelling? Met name vormfouten die leiden tot het vrijlaten van verdachten die wegens ernstige delicten vastzitten, kunnen volgens de minister rekenen op “nagenoeg universeel onbegrip”. Dat laatste is zeker niet te veel gezegd in het geval van de recente drievoudige blamage in een grote xtc-drugszaak. Verdachte nummer één kreeg van de rechter toestemming een begrafenis bij te wonen en kwam niet weerom, nummer twee werd door nep-agenten bevrijd uit de Bijlmergevangenis en als klap op de vuurpijl ontsprong nummer drie vorige maand de dans door ambtelijke onhandigheid bij de afhandeling van een gratieverzoek.

Vooral dat laatste geval was ergerlijk. Maar het is een denkfout - zo niet bewuste misleiding - dergelijke incidenten in verband te brengen met te ver doorgeschoten rechtsbescherming. Deze afloop was veeleer het resultaat van een gebrek aan vakmanschap van het openbaar ministerie (OM). Dit is nota bene een in het strafrecht gespecialiseerd keurkorps. In plaats van dat Hirsch Ballin zich de zorg voor het professionele gehalte van het OM aantrekt maakt hij “het handwerk van de formele rechtshandhaving” ondergeschikt aan een quasi-bestuurlijke rol van de officier van justitie in allerlei eigentijdse "netwerken'. Een dergelijke prioriteitstelling is een probaat recept voor nieuwe xtc-zaken.

In één ding had Hirsch Ballin in Noordwijk overigens groot gelijk, zijn vermaning aan justitie en politie meer ernst te maken met het slachtoffer van de misdaad. Bureaucratische onverschilligheid jegens slachtoffers is ontmoedigend voor het respect voor de wet en bovendien unfair tegenover mensen die per slot van rekening met de gebakken peren zitten. Maar dat is nog geen reden dan maar met de regels voor de eigenlijke strafvervolging de hand te lichten. Hoe had de minister zich dat in de xtc-zaak trouwens voorgesteld; moet de justitie dan maar iemand vasthouden als de rechtsgrond vervallen is?

Reeds de voorganger van Hirsch Ballin, Korthals Altes, had het over een “fundamentele heroriëntatie” in het vraagstuk van de rechtshandhaving, al voegde hij daar nog aan toe dat eerbiediging van de rechten van de verdachte óók rechtshandhaving is. Het vormde geen belemmering een hele serie discutabele aanscherpingen van de strafwet in te dienen. Deze lijn is voortgezet door Hirsch Ballin. Deze minister heeft bovendien de nodige verwachtingen gewekt in een aantal pretentieuze beleidsnota's. Nu de werkelijkheid achterblijft bij de door hem op gang gezette "planjustitie' - en de verkiezingen, met criminaliteit als hoofdonderwerp, zijn ingeluid - wordt het kennelijk onweerstaanbaar de Zwarte Piet proberen af te schuiven op anderen, zoals de rechterlijke macht.

De rechterlijke macht is de twee genoemde bewindslieden van Law and Order trouwens toch al een heel eind tegemoet gekomen. Reeds onder Korthals Altes signaleerde de hoogleraar strafrecht Schalken dat zich in de jurisprudentie onmiskenbaar een tendens aftekent ten voordele van wat de praktijk dicteert. “Turbostrafrecht” noemde hij dat, een “rechterlijk proces van wettelijke ontmanteling”. De Hoge Raad stond onderzoek van een (drugs)-verdachte in lichaamsholten toe hoewel de wet deze bevoegdheid nadrukkelijk beperkt tot onderzoek “aan” het lichaam. Nederland is verder gegaan dan het gros van de Europese partners in het toelaten van de anonieme getuige, met alle risico van moeilijk controleerbare wraakzuchtige verklaringen.

Het gebruik van undercover-agenten is door de rechter geaccepteerd zonder dat enige wetsbepaling daarin voorziet en de politie heeft geen reden tot klagen over de rekkelijkheid van onderzoeksrechters, bijvoorbeeld bij het toestaan van telefoontaps of de controle op huiszoekingen. Geheel buiten de wet om is ook een gewoonte gegroeid van verkorte gerechtelijke strafvonnissen (de zogeheten kop-staart-vonnissen) die op gespannen voet staat met het grondwettelijk voorschrift dat uitspraken behoorlijk gemotiveerd dienen te zijn.

Boven de grondwet gaat overigens nog het Europees verdrag voor de mensenrechten dat ons land bindend minimum-eisen voorschrijft voor een behoorlijke procesvoering. Nederland heeft daarmee reeds hardhandig kennis gemaakt in het geval van de anonieme getuige. Nu is het geen zeldzaamheid dat landen die aldus worden toegesproken uit Straatsburg, waar het Europees Hof voor de Mensenrechten zetelt, korzelig reageren. Maar het Europees verdrag laat zich niet zomaar passeren. Het is overgenomen door de EG en vormt de maatstaf voor de entree van de Oosteuropese staten.

“Strafrechtspleging heeft te maken met mensen die zich niet aan de regels houden”, constateerde de hoogleraar strafrecht Corstens enkele jaren geleden in een beschouwing over wat hij noemde “de sluipende crisis in het strafrecht” zoals is gesymboliseerd door dalende ophelderingspercentages. Toch constateerde hij dat alleen een “strafrechtspleging die zich zelf wèl aan de regels houdt respect afdwingt”. De oproep van Hirsch Ballin komt niet alleen dicht in de buurt van een onbehoorlijke inmenging in de oordeelsruimte van de onafhankelijke rechter, maar doorkruist ook zijn eigen roep om normhandhaving.

Buiten de wet om is een gewoonte gegroeid van verkorte gerechtelijke strafvonnissen

De oproep van Hirsch Ballin doorkruist zijn eigen roep om normhandhaving