Militair ingrijpen bestrijdt geen banditisme

Het lijkt een verdrongen herinnering uit een vervlogen tijdperk: het kernwapendebat, dat minder dan tien jaar geleden in Nederland, West-Duitsland, West-Europa en de Verenigde Staten de geesten heftig beroerde. Hoewel de omstreden kernwapens uit Europa zijn verdwenen en de strategie van de afschrikking geschiedenis is geworden, is er aanleiding genoeg die herinnering op te halen.

De ontwikkeling van kernwapens en de strategie van de afschrikking hadden begin jaren tachtig tot de opvatting geleid dat er praktisch geen nationaal belang meer bestond dat het gebruik van geweld in Europa zou kunnen rechtvaardigen. Immers gebruik van geweld droeg het gevaar in zich van escalatie tot een oorlog met kernwapens en dat moest tot iedere prijs worden vermeden. Het kernwapendebat markeerde een laatste fase in een denkproces dat alleen nog het geweldverbod kon zien als grondslag voor de betrekkingen tussen staten in Europa. De vreedzame revoluties in Oost- en Centraal-Europa leken aanvankelijk die opvatting te bevestigen, ook in hun gevolgen voor Europa.

Deze opvatting wordt echter sinds 1991 op wrede wijze verstoord door de burgeroorlog in het vroegere Joegoslavië en de burgeroorlogen in de republieken van de voormalige Sovjet-Unie. Deze burgeroorlogen worden gevoerd door talloze milities en strijdgroepen, al dan niet gesteund door restanten van vroegere reguliere strijdkrachten. Opgezweept door kwaadaardige propaganda en vele andere duistere middelen, schrikken de krijgers voor geen enkele wreedheid of geweldpleging terug.

Tegenover hen staat een machteloze "alliantie' van gevestigde staten en internationale organisaties, die het zich tot taak rekent om de internationale vrede en veiligheid te handhaven. En een van de redenen van die machteloosheid is, dat deze alliantie de burgeroorlogen behandelt als betreft het conflicten tussen staten, waarop de beginselen van artikel 2 van het Handvest van toepassing zijn.

Een vergelijking van Sarajevo 1914 en Sarajevo 1993, toont aan hoever de angst in het naoorlogse denkkader - voor escalatie tot een algemene oorlog met kernwapens - staat van de huidige politieke werkelijkheid. Eén schot in juni 1914 was voldoende aanleiding om de legers van de toenmalige grote mogendheden in beweging te zetten. Na een jaar van gruwelijke en vernietigende beschietingen van Sarajevo in 1993, zijn de grote mogendheden van nu niet verder gekomen dan verbale steun aan het plan van de VN en EG-bemiddelaars om van Sarajevo een "open stad' te maken. Geen van hen heeft duidelijk partij gekozen of lijkt bereid te zwichten voor het pleidooi tot gezamenlijk militair ingrijpen, dat nu vooral komt van hen, die tien jaar geleden een politiek van geweldloosheid voorstonden.

Die ommekeer van opvattingen is niet zo vreemd. Zij, die tien jaar geleden de geweldloosheid en eenzijdige ontwapening predikten, deden dit vooral op morele gronden, gebaseerd op een zekere morele gelijkwaardigheid van de politieke stelsels in Oost en West. Thans pleiten zij, eveneens op morele gronden, voor militaire interventie in de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Zij die tien jaar geleden vasthielden aan de strategie van de afschrikking, beriepen zich op nationale en bondgenootschappelijke veiligheidsbelangen; belangen, die zij nu niet direct bedreigd achten door de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Tussen deze twee standpunten in ligt een grote, grijze zone van argumenten die niet meer zijn dan vermoedens, en vragen die moeilijk beantwoord kunnen worden.

Vóór interventie pleit dat de oorlog zich bij niet ingrijpen kan uitbreiden tot Kosovo en Macedonië en escaleren tot een Balkan-oorlog. Tégen interventie pleit dat het alleen maar meer dood en verderf zal zaaien in een nu reeds onoverzichtelijke oorlogstoestand. Vóór interventie pleit dat Servische agressie en etnische zuivering tot staan gebracht moet worden, mede om anderen (bijvoorbeeld in de voormalige Sovjet-Unie) ervan te weerhouden op soortgelijke wijze grenzen te verleggen. Tégen interventie pleit dat veroordeling en bestrijding van één partij in een gecompliceerd conflict alleen tot verheviging van de strijd kan bijdragen.

Er zijn talrijke onbeantwoorde vragen: naar het politieke doel van een internationale, militaire interventie; de militaire doelwitten; de benodigde omvang en sterkte van een interventiemacht; de mogelijkheid een zodanige militaire overwinning te behalen, dat de strijdende partijen tot onderhandeling gedwongen kunnen worden; en natuurlijk het risico van een voortgaande guerrilla-oorlog in de onherbergzame gebieden van voormalig-Joegoslavië.

Wie zich op het "hogere' plateau van morele verontwaardiging bevinden, achten bestrijding van het kwaad van etnische zuivering en schending van mensenrechten een politieke en volkenrechtelijke plicht van beschaafde naties. Wie zich in het "lagere' dal van nationale belangen bevinden, komen niet eens toe aan een beantwoording van de gestelde vragen, omdat zij - als regeringen - niet de verantwoordelijkheid kunnen of willen dragen voor grote aantallen slachtoffers onder de eigen strijdkrachten, die bij militaire interventie moeten worden ingezet.

Het "beleid' van VN en EG, dat uit deze tegengestelde opvattingen is voortgekomen, is bijgevolg vol tegenstrijdigheden. Enerzijds wordt Servië verbaal steeds krachtiger veroordeeld, worden Servische leiders aangemerkt als oorlogsmisdadigers, maar schrikt men ervoor terug de geuite veroordelingen kracht bij te zetten. Anderzijds worden deze zelfde lieden gelegitimeerd als "presidenten' van strijdende partijen en uitgenodigd bij "vredesconferenties', die tot niets komen, maar wel meer ruimte geven de strijd voort te zetten. Kroatië en Bosnië-Herzegovina zijn erkend als soevereine staten, zonder echter de daaruit voortvloeiende verplichting tot bijstand bij bedreiging van hun politieke onafhankelijkheid en territoriale integriteit waar te maken. (Hetzelfde geldt voor de erkenning van de republieken van de voormalige Sovjet-Unie).

Na zoveel maanden van vruchteloze bemiddeling, machteloze dreigementen en niet overtuigende argumenten, dringt zich de conclusie op, dat wij nog steeds gevangen zijn in het denkkader van de oude, naoorlogse internationale "orde'. De internationale discussie over wel of geen interventie houdt zich met geheel andere vragen bezig dan die welke op de strijdtonelen spelen. Wat op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië en de voormalige Sovjet-Unie (evenals in Somalië) gebeurt, is namelijk geen oorlog tussen staten en volkeren, die zich leent tot diplomatieke actie gericht op herstel van internationale vrede en veiligheid. Men kan zelfs niet spreken van een burgeroorlog. In deze gebieden heerst volslagen politieke chaos. De vroegere totalitaire rechteloosheid is overgegaan in chaotische rechteloosheid. De georganiseerde en repressieve macht van de Partij is vervangen door de gewelddadige macht van milities, bandieten en misdadigers. Deugdelijk en geloofwaardig politiek gezag, dat de orde kan handhaven - wetgeving, bestuur, politie en rechtspraak - ontbreekt overal, ook in Belgrado en Moskou.

De vraag is dus niet of de Veiligheidsraad, de Verenigde Staten en de Europese staten wel of niet militair moeten interveniëren. Dat middel om de internationale vrede en veiligheid te herstellen, is onbruikbaar om misdaad en banditisme te bestrijden. Aan de orde is, welke mogelijkheden er zijn om politieke gezagsstructuren in het leven te roepen, die georganiseerde geweldpleging kunnen bestrijden. Het gaat om veel meer dan een keuze voor of tegen het gebruik van geweld.

Op plaatsen waar niet wordt gevochten zou een tijdelijk internationaal bestuur het bestaande gezag kunnen versterken en kunnen opleiden tot democratische gezagsuitoefening. Waar strijd en chaos heersen, moet de humanitaire hulp voortgaan; de vrede bewarende eenheden van de VN kunnen beter uit deze gebieden worden teruggetrokken voor politie-taken in gebieden met een tijdelijk internationaal bestuur. Zij die verantwoordelijk zijn voor geweldpleging, dienen te weten, dat zij daarvoor strafrechtelijk vervolgd zullen worden en dat zij, nu reeds, overal elders op de lijst van meest gezochte misdadigers staan. Besluiten over staatsvorming, erkenning van staten en de vaststelling van grenzen tussen staten, dienen voorbehouden te worden aan een internationale of Europese conferentie, die pas na het beëindigen van alle vijandelijkheden en na de ontwapening van de milities en clans bijeen zal komen.