Mike Oldfield stopt zijn tubular bells nu in de soundprocessor

Concert: Mike Oldfield. Gehoord: 1/4 Statenhal, Den Haag.

De jaren zeventig gaan het weer helemaal maken. Wie het nog niet gezien had aan de oogverblindende tweedehands garderobe van Arjan Ederveen en Tosca Niterink in Kreatief Met Kurk, merkt het vanzelf door de comeback van Rick Wakeman en het succes van de "20th Anniversary Edition" van Pink Floyds Dark Side Of The Moon. Ook Mike Oldfield is terug, met een nieuwe versie van het oorspronkelijk in 1973 verschenen Tubular Bells. Deel twee van dit symfonische conceptalbum borduurt voort op de oude thema's, met dien verstande dat de digitale soundprocessor nu een belangrijk onderdeel van het instrumentarium vormt. Op de cd verwijst Oldfield op ironische wijze terug naar het origineel met de aankondiging van "two slightly sampled electric guitars', een variatie op de "slightly distorted' gitaren van twintig jaar geleden.

Het succes van Tubular Bells verschafte Richard Branson het beginkapitaal van diens Virgin-imperium, met een eigen luchtvaartmaatschappij en de Rolling Stones in de artiestenstal. Nota bene waren het de aan Virgin verbonden Sex Pistols, die met hun nietsontziende punklawaai een einde maakten aan het tijdperk van de symfonische rock. Nu blijkt dat Pink Floyd en Genesis de gevreesde punkexplosie hebben overleefd, acht Mike Oldfield de tijd rijp om het goeie oude klokkenspel weer eens af te stoffen. Op de plaat speelde hij weer praktisch alle instrumenten zelf. Bij zijn derde bezoek aan Nederland bracht hij een twaalfkoppig orkest mee, voor een nauwelijks van de plaat te onderscheiden hifi-uitvoering van Tubular Bells II in de Haagse Statenhal.

Zittend aan de zijkant van het podium en omringd door een batterij gitaren, liet Oldfield de muzikale leiding over aan pianist en dirigent Robin Smith. Qua opbouw bestaat het muziekstuk uit losse fragmenten, die bij elkaar werden gehouden door het overbekende piano-pingeltje. “Ha, de Exorcist!” herkende iemand het riedeltje dat indertijd in die film werd gebruikt. Gedragen gitaarpartijen werden afgewisseld met kermismuziek en woordloze zang. Swingen wilde het niet echt, maar bij elkaar was het goed voor een uurtje beschaafd nostalgisch amusement. “Sssst!” klonk het enkele malen door de zaal, alsof er een symfonie van Mahler werd opgevoerd in een parkeergarage. Eenmaal kwam Oldfield van zijn kruk, om met brede gebaren op het duidelijk zichtbaar opgestelde klokkenspel te timmeren.

Een jongleur en een doedelzakkenorkest moesten verstrooiing brengen tijdens de tamelijk saaie vertoning, die een kinderachtige climax bereikte met een optreden van een schreeuwende clown. Na vijf kwartier was de voorstelling voorbij en om de massale verontwaardiging te sussen, speelde Oldfield nog snel even een volksliedje op de mandoline. Een ding heeft hij van de door hem verguisde punkmuzikanten opgestoken: hoe korter het concert, des te kleiner de kans dat het publiek zich verveelt.