JUAN DE BORBON (1913 - 1993); Jan zonder land

MADRID, 2 APRIL. Het grootste deel van zijn leven heeft Juan de Borbon y Battenberg besteed aan pogingen om koning van Spanje te worden. Onlogisch was dat niet. Zijn vader was het geweest, zijn zoon is het geworden. Don Juan overleed echter gisteren na een langdurig ziekbed in de universiteitskliniek van Pamplona zonder het verder dan de titel "graaf van Barcelona' te hebben gebracht. Met de 79-jarige graaf, die aan keelkanker leed, verliest de Spaanse monarchie één van haar kleurrijkste en meest omstreden figuren.

In 1931 ging zijn vader, Alfonso XIII, vrijwillig in ballingschap nadat Republikeinse partijen bij gemeenteraadsverkiezingen een grote meerderheid hadden behaald. Juan werd op een torpedoboot richting Genua gezet en koos na verblijven in Genève, Parijs, Londen en Dartmouth in 1947 uiteindelijk het Portugese Estoril als permanent ballingsoord.

Koning Alfonso en zijn volgelingen namen actief deel aan de voorbereidingen voor de militaire opstand tegen de Republiek. Toen de strijd eenmaal was losgebarsten, boden zowel Alfonso als Juan aan om mee te vechten. De laatste stak zelfs onder een schuilnaam de grens over om zich bij de nationalen aan te sluiten. Hij werd echter al in Pamplona ontmaskerd en teruggestuurd naar Frankrijk: de opstandige generaals wilden het leven van een kroonprins niet riskeren. Maar na hun overwinning wilden ze evenmin de koning terug.

Kort voor zijn dood in 1941 droeg Alfonso XIII zijn rechten over aan zijn derde zoon Juan. Diens oudste broer Alfonso, die aan hemofilie leed, was in 1938 overleden en de tweede, Jaime, was doofstom. Naarmate de Tweede Wereldoorlog vorderde, leek alles erop te wijzen dat het Franco-regime met Hitler en Mussolini ten onder zou gaan. Wilde Juan ooit inderdaad nog koning worden, dan was het dus raadzaam zich van de dictatuur te distantiëren. Vanuit Zwitserland wierp hij zich in de jaren veertig op als voorstander van een moderne constitutionele monarchie, compleet met “alle daarbij behorende politieke vrijheden”. Spanje zou onder zijn leiding kunnen ontkomen aan de keuze tussen een fascistische of een communistische dictatuur, zo viel op te maken uit zijn "Manifest van Lausanne'.

Tegen veler verwachting in, hield Franco echter ook na de geallieerde overwinning de macht stevig in handen. In 1947 liet hij in de grondwet vermelden dat Spanje weer een koninkrijk werd - zij het vooralsnog zonder koning. In de Opvolgingswet werd vastgelegd dat Franco zelf te zijner tijd een opvolger zou benoemen uit een koninklijk geslacht. Vanaf dat moment bestonden er in feite twee parallelle monarchieën: die van Franco en die van Estoril.

Juan, woedend, eiste onmiddellijk een vreedzame maar onvoorwaardelijke overdracht van de macht; Franco trok zich daar niets van aan. Al een jaar later vond een eerste ontmoeting plaats tussen de dictator en de gekalmeerde graaf. Overeengekomen werd dat Juans oudste zoon Juan Carlos in Spanje een militaire opleiding zou volgen, onder toezicht van Franco, die een “frequenter contact met de caudillo”, met hemzelf dus, van groot belang achtte voor de ontwikkeling van de prins.

In 1961, bij het vijfde lustrum van Franco's overwinning, betuigde Don Juan alweer zijn onvoorwaardelijke steun aan de principes van het franquisme. Vanuit Estoril bood hij Franco bij deze gelegenheid de hoogste Spaanse onderscheiding aan. Franco weigerde, fijntjes aanvoerend dat alleen een regerend vorst lintjes mag vergeven. In 1969 wees Franco Juan Carlos officieel als zijn opvolger aan. Juan stelde zijn zoon per brief op de hoogte van zijn onsteltenis over deze gang van zaken. Juan Carlos zwoer zowel in 1969 als bij zijn troonsaanvaarding in 1975, na de dood van de caudillo, trouw aan Franco's Leyes Fundamentales. Geen wonder, dat hij door een groot deel van de oppositie in de eerste plaats werd beschouwd als een creatie van de dictatuur en als de man die “voor een kroon zijn vader had verkocht”.

Op initiatief van de communistenleider Santiago Carrillo zocht een groep tegenstanders van het regime daarom in 1974 toenadering tot Don Juan. Zij wilden dat de graaf in plaats van zijn zoon het land zou leiden in de overgangsperiode naar een democratie. Juan heeft op het punt gestaan dit voorstel te accepteren, maar deinsde op het laatste moment terug. In 1976 werd het aanbod herhaald, maar hij weigerde opnieuw. Waarom hij desondanks toch nog tot 1977 gewacht heeft met het opgeven van zijn aanspraak op de troon, is niet duidelijk. Men neemt aan dat hij de mogelijkheid open wilde houden om het alsnog van zijn zoon over te nemen, als het democratiseringsproces in moeilijkheden zou geraken.

Zeker is, dat deze periode werd gekenmerkt door een grote verwijdering tussen vader en zoon. Uit recent gepubliceerde gesprekken met Juan Carlos krijgt men de indruk dat hij zich nog steeds schuldig voelt over wat hij zijn vader heeft aangedaan.

Na zijn abdicatie is Juan weer in Spanje gaan wonen. De afgelopen maanden verbleef hij permanent in het ziekenhuis, waar hij in een laatste vraaggesprek vaststelde dat hij zijn leven “volledig aan Spanje” had gewijd, vermoedelijk zonder oog te hebben voor de dubbelzinnigheid van deze formulering. “De eenheid van het land is in gevaar,” zei hij bij die gelegenheid tevens. Al jaren geleden had hij een graf gereed laten maken in het klooster van Poblet in Catalonië. Eind vorig jaar liet hij weten toch liever ergens anders begraven te willen worden, omdat Catalonië in de nabije toekomst wellicht niet meer in Spanje zou liggen. Zijn zoon, die de laatste weken vrijwel permanent aan het ziekbed heeft gezeten, heeft nu besloten hem te laten bijzetten in de koninklijke grafkelder van El Escorial, tussen de koningen die wèl hebben kunnen regeren. Het is een ultiem gebaar van verzoening en de vervulling van een bij leven onvervulbare wens.