Jaren oorlog in Libanon voor niets

BEIROET, APRIL. Vrolijke wasjes fleuren het skelet van het vroegere Hilton-hotel in de Libanese hoofdstad Beiroet op. Ook in talloze andere in de Libanese burgeroorlog verwoeste gebouwen - hotels, kantoren - verraadt bont gekleurd wasgoed de aanwezigheid van menselijk leven. De hotelgasten en het kantoorpersoneel zijn nog niet teruggekeerd, ook al is het nu al weer tweeëneenhalf jaar vrede. Ontheemden hebben hier hun toevlucht gezocht, in meerderheid shi'ieten die in de 16 jaar van de burgeroorlog uit het zuiden zijn verdreven. Waar geen muren meer stonden hebben ze zich met hardboard platen van de buitenlucht afgeschermd; elektriciteit tappen ze af van de officiële leidingen, dat wil zeggen de paar uur per dag dat er stroom is.

In het Franse restaurant in Jounieh, een christelijke stad net ten noorden van Beiroet, is geen tafel meer vrij. Buiten staan glimmend-nieuwe Mercedessen, Range-Rovers van het allerduurste model, een enkele Rolls Royce. Binnen zitten twintigers en dertigers te dineren, de vrouwen, iets te dik, in luipaard-leggings of net-te-nauwe mini-rokken en veel goud, de mannen in donkerblauwe pakken en ook veel goud. Overal staat de whiskyfles op tafel. “Oorlogsprofiteurs, rijk geworden van wapenhandel en andere duistere zaken”, zegt een bejaarde grieks-orthodoxe antiquair, uit een familie van ministers en ambassadeurs. “Vroeger waren ze arm en bescheiden, maar nu genieten ze ervan openlijk met hun rijkdom te pronken.”

Het is vrede in Libanon. Alle verschillende etnische en religieuze groepen hebben zestien jaar lang met gruwelijk geweld tegen elkaar en tegen zichzelf gevochten, maar dat is nu voorlopig voorbij. Al die tijd wakkerden talloze buitenlandse spelers de oorlog aan. Maar aan het eind van de jaren tachtig, begin jaren negentig werd de internationale constellatie drastisch gewijzigd. Het wegvallen van de Sovjet-Unie verzwaarde het gewicht van Amerika als enige overgebleven supermogendheid, de oorlog in de Golf gaf Syrië de handen vrij om het buurland zijn orde op te leggen. En de Libanezen hadden schoon genoeg van de eeuwige gevechten en de nooit standhoudende staakt-het-vurens - maar dat was vermoedelijk de minst belangrijke factor.

Zestien jaar hebben Libanese milities, het Syrische leger, de Israeliërs en Palestijnse strijdgroepen met moordend geweld huisgehouden. Honderdduizenden doden en gehandicapten en een kolossale materiële schade later zijn Libanezen van uiteenlopende oriëntatie het eens dat dat allemaal voor niets is geweest. De verschillen tussen arm en rijk zijn alleen maar verscherpt. De middenklasse, waarop het rijke Libanon van vroeger rustte, is in de oorlog geruïneerd. Honderdduizenden ontheemden leven in wat letterlijk puinhopen zijn. Talloze Libanezen, veelal de bestopgeleiden, zijn vertrokken en of ze terugkomen is zeer de vraag. Libanon is zijn lucratieve functie als bankier en handelsagent van het Midden-Oosten kwijt; de ooit bloeiende economie is aan flarden. En het land is bezet.