I Ride Alone

In technicolor en cinemascope: al bij het eerste, met ingehouden adem aangeslagen akoestische gitaarakkoord, zien we een ruiter aan de horizon opdoemen - schimmig nog, in silhouet en geruisloos, alsof hij net iets boven de grond rijdt.

The Good, The Bad, The Ugly? Een van de spookruiters van de Apocalyps? Een desperado, afgedwaald uit de bende van Jesse James of Charles Manson? Wie is dat in hemelsnaam, en welke tovenaarsleerling heeft dit monster uit de slaap gewekt? En nu hij weet dat hij gezien is, geeft hij, aangemoedigd door de struikelend binnenvallende bas en drums, zijn paard de sporen in onze richting.

Maar net als we op het punt staan hals over kop de zaal uit te vluchten om niet onder zijn hoeven vertrapt te worden, begint er een voice-over en snijdt het beeld naar een desolate hotelkamer. “It's another night in Los Angeleez.” De verteller staat voor het raam, waar zijn kalende kruin verlicht wordt door een knipperend aureool van rood en geel gekleurd neon, en spreekt van een paspoort dat brandt in zijn laars, van droombeelden van Parijs (”of fine wine, women, and precious things'), en van een leven ”on the midnight highway /The life of a renegade king'.

Lee Clayton is zijn naam en zijn curriculum vitae leest als de synopsis van de Grote Amerikaanse Roman. Een arbeiderszoon die is opgegroeid onder de rook van de fabriek in Oakridge, Tennessee, waar het uranium voor de eerste atoombom werd verrijkt, maakt carrière als testpiloot van het type dat Tom Wolfe heeft beschreven in The Right Stuff: straaljagercowboys, supersonische stuntmacho's in the sky. Tot hij op een van zijn vluchten tijdens de alles van mens en machine vergende jacht op steeds scherpere snelheidsrecords (”pushing the edge of the envelope'), ergens in de zinsbegoochelende ijlten van de stratosfeer per ongeluk het zwarte gat van Het Witte Licht binnenvliegt. Een ervaring die de benarde vensters van zijn bewustzijn uit hun hengsels en sponningen doet springen. Plotseling had alles met alles te maken, werden de bergen eerst niet-bergen en toen weer bergen, en wat boven was, was ook beneden. Op een kist zo groot als de wereld zag hij een hond zitten met ogen zo groot als kosmische wielen en hij was de soldaat met de zilveren lucifers.

Clayton zette zijn F-105, ”a 3 million dollar jet eagle scream', aan de grond, kamde als teken van deemoed zijn pony naar voren (waardoor hij er uit kwam te zien als David Carradine in de rol van Kwai Chang Caine, de blootsvoets door het Wilde Westen zwervende Shaolin-priester uit de tv-serie Kung Fu), kocht een gitaar om de nieuw verworven inzichten en emoties, die als met water gevulde ballonnen in zijn kop rondklotsten, van muziek te voorzien, en gaf zichzelf de sporen. Twenty years years they've called me a bandit / twenty years I've been on the run / twenty years defending my honour / twenty years harming no one / And I ride / I ride alone / Yes I ride, I ride alone. Ook al heb je met eigen ogen de hele kosmos weerspiegeld gezien in het diamanten web dat hoog in de hemel het paleis van de god Indra bedekt, een prins der dichters ben je daarmee nog niet. De hoogste waarheden vervallen, armzalig verbeeld, tot de stof waarop schoorsteenmantelspreuken worden geborduurd. It's true I'm not much on talking / It's true there's not much I know / But one thing I've learned for certain / You reap whatever you sow / And you ride, you ride alone / Yes you ride, you ride alone. Maar dan volgt, in het laatste couplet, een religieus-poëtische ontknoping, waar alleen een man van weinig woorden op kan komen: een deux ex machina die tegelijk een ”machina ex deo' is. There's a hawk high in the heavens / A truly magnificent bird / He waits on wings of silver / To bring the glorious word / And he flies, he flies alone / Yes he flies, he flies alone. De uit de hemel neerzeilende vogel die traditioneel de Heilige Geest verbeeldt, is geen witte duif, maar een havik met zilveren vleugels, waarin we zonder moeite de straaljager herkennen waarin Lee Clayton het licht zag.

En nog zou het allemaal triviaal zijn, een beetje belachelijk zelfs, als de gitaar het niet waar zou maken. Want de gitaar heerst - wanneer Clayton is uitgezongen - als een vorst over dit landschap dat het eerst zelf met brede verfstreken heeft neergezet; de genadeloze vlakte, de kwaaie pieken van het zwarte gebergte in de verte, de wind die in de lang aangehouden hoge noten huilt, de regen die op de vellen van de drums neerklettert en de mysterieuze ruiter die af en toe, als met behulp van spiegels, uiteenwaaiert in een reeks ruiters. De twee ruiters die ons naderen vanuit het door Ingmar Bergman aan de rand van de wereld ontworpen decor van Bob Dylans All Along The Watchtower, dat, toen Jimi Hendrix er kortsluiting veroorzaakte, knetterend tot in zijn atoomkernen werd ontbonden. De vier spookruiters van de Apocalyps. De acht gemaskerde Riders On The Storm die door Jim Morrison de Doors Of Perception doorgeloodst werden. Maar wanneer er aan het slot van I Ride Alone, tijdens het afmarcheren van de gitaar, plotseling een hele kennel honden begint te janken, schuiven ze als een spel kaarten in elkaar, de verdubbelende ruiters, tot er één overblijft om als Lucky Luke de ondergaande zon tegemoet te rijden: Lee Clayton, ”a lonesome cowboy far away from home'. Zo'n 2000 lichtjaren ver van huis.