Het groot geheim voorgoed begrepen; Meelezen met de dichtende M. Nijhoff

M. Nijhoff: Gedichten. Hist.-kritische uitgave verzorgd door W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn. Deel 1 teksten 518 blz., deel 2 commentaar 586 blz., deel 3 apparaat 644 blz. Reeks Monumenta Literaria Neerlandica. Uitg. Van Gorcum, prijs ƒ 195,-

Lees maar, er staat niet wat er stond. Deze variant op een wel zeer bekende regel uit het fameuze gedicht Awater (1934) zou als typering kunnen gelden van de esthetische en intellectuele genoegens die de zojuist verschenen "historisch-kritische uitgave' van Nijhoffs complete dichtwerk de lezer te bieden heeft. Vooropgesteld dat die lezer een meer dan gewone belangstelling heeft voor het oeuvre van een der grootsten uit de Nederlandse poëzie van de twintigste eeuw.

De door W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn samengestelde uitgave bevat alle gedichten van Nijhoff, in alle bekende en geautoriseerde versies. Dat wil zeggen dat wij hier ook ongepubliceerde teksten - jeugdwerk bij voorbeeld - aantreffen, en talloze varianten, van een enkel woord tot gehele strofen. En dat ons bijgevolg een blik wordt gegund op een aantal fasen in de totstandkoming van de gedichten die wij in de gewone leeseditie van de Verzamelde gedichten tegenkomen. De presentatie van al deze gedichten en varianten, in een monumentale driedelige editie van te zamen 1750 bladzijden, gaat vergezeld van uitvoerig commentaar over de publikatiegeschiedenis van Nijhoffs dichterlijke werk, technische beschrijvingen van de gebruikte bronnen en bevat naast een primaire ook een secundaire bibliografie: een uiterst nuttige opsomming van alles wat er over werk van Nijhoff geschreven is. De bezorgers - beiden afkomstig uit de school van A.L. Sötemann, die de historisch-kritische editietechniek in Nederland introduceerde met zijn uitgave, in 1979, van de gedichten van J.C. Bloem - beschouwen het produkt van hun filologische acribie als "niet meer dan een databank'. Erg opwindend klinkt dat niet, maar wij mogen dankbaar zijn voor hun werk. Want hoeveel leesavonturen worden er niet mogelijk door deze wetenschappelijke Nijhoff-editie. Een voorbeeld. Eind 1916, begin 1917, schreef Nijhoff het volgende gedicht, dat ik citeer uit de historisch-kritische editie:

De soldaat die Jezus kruizigde

Wij sloegen hem aan 't kruis. Zijn

vingers grepen Wild om den spijker toen 'k den

hamer hief - Maar hij zei zacht mijn naam en:

"Heb mij lief -' Liefde als een gruwelijk geheim

begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn

tanden knarsten, En werd een gek die bloed van liefde

vroeg: Ik had hem lief - en sloeg en sloeg

en sloeg Den spijker door zijn hand in 't hout

dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker in de

hand, Trek ik een visch - zijn naam, zijn

monogram - In iedren muur, in iedren balk of

stam, Of in mijn arm, of, hurkend in het

zand.

En antwoord, als de menschen mij

wat vragen: “Hoor je den dreun van verre

hamerslagen?''

Het gedicht beleefde zijn eerste publikatie in de tweede jaargang van Het getij, mei 1917. Wie deze eerste versie vergelijkt met de tekst zoals hij nu in de gewone editie van de Verzamelde gedichten te lezen valt, kan zich verbazen over een aantal verschillen, - waarvan de vervanging van een z door een s in "gekruizigde' wel de minste betekenis heeft.

Gruwelijk

In plaats van de oorspronkelijke regel vier, die enerzijds het wat afstandelijke karakter van een toelichting heeft (de liefde waar de gekruisigde om vraagt, kan niet anders worden opgevat dan als een "gruwelijk geheim') en die anderzijds door dat al te expliciete, beschrijvende en kwalificerende woord "gruwelijk' minder evocatief is dan hij op grond van puur dichterlijke suggestie zou kunnen zijn, in plaats nu van die nog niet helemaal geslaagde regel schrijft Nijhoff zeven jaar later, in 1924:

En 't groot geheim had ik voorgoed

begrepen.

De "gruwelijkheid' van het geheim is in "grootheid' veranderd, waardoor het numineuze, dat doet beven èn fascineert, niet langer eenzijdig, als iets afschrikwekkends, geduid wordt. En bovendien: de afstandelijke predikatieve toevoeging, met behulp van een voltooid-deelwoordconstructie, is omgeslagen in een persoonlijke zegging: ik had het groot geheim voorgoed begrepen.

Dit laatste is voor de uiteindelijke betekenis van het gedicht van groot belang. Al in deze eerste strofe van "De soldaat die Jezus kruisigde' gaat het om de beslissende ontmoeting van twee personen: “Wij sloegen hem aan 't kruis”, staat er. Maar uit dat collectief maakt zich al spoedig in de tweede regel, een "ik' los (eigenlijk een weinig nadrukkelijk aanwezige "ik', instrument van een gezamenlijke wil), die door Jezus in de regel daarna meteen ook bij zijn naam wordt genoemd. Regel vier spreekt vervolgens met nadruk, conform het metrum, van "ik'. De soldaat heeft het begrepen; hij is gegrepen. Het valt moeilijk hier niet aan het bekende sonnet van de door Nijhoff bewonderde Revius te denken: "Hy droech onse smerten':

T'en sijn de Joden niet, Heer Jesu, die

u cruysten, (-)

Ick bent, o Heer, ick bent die u dit

heb gedaen

Identificatie

Welke veranderingen zien we nog meer?

Waar in de negende regel aanvankelijk stond: “Nu, als een dwaas, een spijker in de hand” schreef Nijhoff later: “Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand”, waardoor het gedicht plotseling een bijzonder emotionerende, verbijsterende betekenis krijgt: de soldaat houdt niet alleen een spijker vast, als een soort schrijfstift; nee, hij is gewond op de wijze van de gekruisigde. Hij heeft een radicaal antwoord gegeven op de tot hem gerichte vraag "Heb mij lief'. Zoals Jezus hèm bij zijn naam noemde, zo schrijft deze soldaat nu zelf overal de naam van degene die hem riep en daarmee als het ware voor altijd aan zich vastklonk. Identificatie is onontkoombaar gebleken.

Bijzonder duidelijk wordt dat in de laatste regel van het definitieve gedicht, waar Nijhoff “En antwoord, als de menschen mij wat vragen / "Hoor je den dreun van verre hamerslagen!' ”, vervangen heeft door: “En antwoord als de menschen mij wat vragen: / "Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen' ”.

Dat is een ongelooflijk krachtig en prachtig slot, trefzeker, nagelvast. En het is fascinerend, te zien dat de laatste regel van Nijhoffs gedicht zich niet uit de regels één tot en met dertien naar buiten heeft kunnen werken dan nadat "een spijker in de hand' veranderd was in "een spijker door mijn hand'.

In de eerste versie van het gedicht dreunen de hamerslagen uit het verleden nog na en staat het slot van "De soldaat die Jezus kruisigde' in het teken van een schuldbesef, dat moeilijk te rijmen valt met de liefdesdaad die de soldaat in zijn "gekte', zijn furor, al hamerend dacht te stellen. De slotregel van Nijhoffs laatste versie is ook daarom zoveel beter, omdat hij duidelijker overeenstemt met het mystieke en enigszins erotische karakter van de gebeurtenis op Golgotha. De vervoering van toen ("gek') is in een gelukzalige gelatenheid ("dwaas') verkeerd. De toestand waarin de soldaat van toen nu verkeert, is niet zonder pijn; niet zonder verlangen ook. Maar de zachtheid en de overgave die uit zijn situatie spreken, en die samenhangen met een verregaande vorm van identificatie met de gekruisigde, zijn toch eerder met de eerste twee strofen te verbinden dan het schuldgevoel - dat weer even aan Revius' sonnet herinnert - waarop de laatste regel van de eerdere versie duidt.

Zo dus luidt het defitinieve gedicht voluit; zo kwam het in 1924 in de bundel Vormen terecht:

De soldaat die Jezus kruisigde

Wij sloegen hem aan 't kruis. Zijn

vingers grepen Wild om den spijker toen 'k den

hamer hief - Maar hij zei zacht mijn naam en:

"Heb mij lief -' En 't groot geheim had ik voorgoed

begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn

tanden knarsten, En werd een gek die bloed van

liefde vroeg: Ik had hem lief - en sloeg en sloeg

en sloeg Den spijker door zijn hand in 't hout

dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door

mijn hand, Trek ik een visch - zijn naam, zijn

monogram - In ied'ren muur, in ied'ren balk of

stam, Of in mijn borst of, hurkend, in het

zand.

En antwoord als de menschen mij wat

vragen: “Hij heeft een spijker door mijn hand

geslagen.''

Lees maar, nu staat er wat er staat.