Grandioze plannen voor nieuw hart voor Beiroet ontmoeten kritiek; Het is twee jaar vrede en de Libanezen zijn ongelukkig

BEIROET, APRIL. Zestien jaar lang hebben goed bewapende Libanese milities, plus het Syrische leger, plus het Israelische leger, plus Palestijnse strijdgroepen met moordend geweld huisgehouden in Libanon. Honderdvijftigduizend doden, tweehonderdduizend gehandicapten en een gigantische materiële schade later zijn Libanezen van uiteenlopende oriëntatie het eens dat dat allemaal voor niets is geweest. De politieke dominantie van de maronieten - lange tijd een belangrijk strijdpunt - is weliswaar verzwakt, maar de positie van de inmiddels grootste bevolkingsgroep, de shi'ieten, is nauwelijks verbeterd en de verschillen tussen arm en rijk zijn alleen maar verscherpt.

Talloze Libanezen, veelal de best-opgeleiden, zijn vertrokken en of ze terugkomen is zeer de vraag. De middenklasse, waarop het rijke Libanon van vroeger rustte, is in de oorlog geruïneerd. Honderdduizenden Libanezen leven in uitgebombardeerde ruïnes. Het analfabetisme is toegenomen. Libanon is zijn lucratieve functie als bankier en handelsagent van het Midden-Oosten kwijt en het kan geen enkele toerist meer aanlokken (“er is een minister van toerisme, die loopt recepties af”, zegt een regeringsfunctionaris). De ooit bloeiende economie is aan flarden: de waarde van het pond is gedaald van 3 voor een US dollar in de oorlog tot 1750 nu, en de prijzen zijn meegestegen. Het land is bezet, in het zuiden door het Israelische leger, elders door de Syriërs, het leger en de gehate geheime politie, die zeer zichtbaar is.

Het is tweeëneenhalf jaar vrede, en de Libanezen zijn ongelukkig. In de vroegere hotelbuurt van Beiroet, langs de "groene lijn' die in de oorlog christelijk Oost- van overwegend islamitisch West-Beiroet scheidde, en elders waar - vaak al in de eerste jaren van de oorlog - ernstige schade is aangericht, zijn de gevaarlijkste gebouwen met explosieven neergehaald. Maar verder is er niets gedaan: uitgestrekte gebieden ogen als een eindeloze vuildump. Het Plein van de Martelaren, het hart van wat vroeger het centrum was, wordt omzoomd door ruïnes en het gras is er hoog opgeschoten - het héle oude centrum is een lugubere spookstad. Andere buurten lijken op het eerste oog ongeschonden, maar hér ontbreken bij nader inzien de ruiten, dáár mist het dak en wat een gebouw in aanbouw lijkt, blijkt het skelet van een in de oorlog aangeschoten gebouw te zijn. En in vele steden en dorpen elders in Libanon is het al niet anders.

Nog steeds zijn de autoriteiten er niet in geslaagd de stroomvoorziening volledig te herstellen. Wie het zich kan permitteren heeft een eigen generator staan, op de stoep of op het balkon, voor de uren waarop de overheid niet levert, of is aangesloten op een door privé-ondernemers geïnstalleerde centrale generator. Volgens een recent onderzoek is 66 procent van het water in stedelijke gebieden besmet, en 78 procent op het platteland. De telefoon werkt slecht - “vandaag al drie telefoontjes; soms gaat hij wekenlang niet”, roept de architecte Soumaya blij. Maar het zwaarst weegt de hopeloze economische toestand.

Soumaya en haar grootmoeder - typische representanten van de in de oorlog verarmde middenklasse - moeten het vanavond in Oost-Beiroet stellen met een petroleumlampje, en ze denken met enige heimwee aan de oorlogsjaren terug. “Was de oorlog vreselijk? Nee. Er was tenminste geld”, zegt Soumaya. Ook de bejaarde antiquair herinnert zich vooral de prettige aspecten van de oorlogsjaren: “het pond was nog iets waard”. Het chaotische beeld dat de ontheemden bieden irriteert: “verschrikkelijk zijn die mensen”. Dan beter de PLO: vóór de Palestijnse organisatie in 1982 door het Israelische leger uit Beiroet werd verjaagd, “zorgde die ervoor dat er orde heerste”. Meer inwoners van Beiroet herinneren zich met enige nostalgie de PLO: een staat-in-de-staat, maar wel een die geld had en uitgaf. De slager bij voorbeeld, die “toen dagelijks zeker tien schapen slachtte, en nu nog maar één”.

Het beeld van de oorlog is roze vertekend. Vergeten is de woede over het eigenmachtig optreden van de PLO, vergeten zijn de moordende bombardementen, de dagen die in de schuilkelders of in trappenhuizen moesten worden doorgebracht, de angst dat het kanon op de hoek het vuur zou openen en zo een vergeldingsbombardement op de eigen buurt zou uitlokken. Vergeten is de vrees dat een familielid bij het passeren van de een of andere controlepost zou worden ontvoerd en vermoord (17.000 mensen worden nog steeds vermist).

“Alles is relatief”, zegt een shi'itische journalist. “De oorlog bood een excuus, een afleiding - er was geen tijd om aan iets anders te denken. Nu denkt iedereen weer aan zijn leefomstandigheden, de appartementen die door hun prijs buiten veler bereik blijven, de banen die er niet zijn.”

De psychologe dr Mona Fayad, die in Beiroet op de universiteit doceert, is van mening dat de algemene onvrede ook wordt gevoed door de wetenschap dat de oorlog slechts nederlagen heeft opgeleverd, geen enkele overwinning, niets dat het moreel versterkt. “Er is niets om trots op te zijn. Vroeger had Libanon internationale vermaardheid, daar is nu niets van over. De mensen missen identiteit. Ze willen niet Libanees zijn, maar ze zijn ook geen Europeanen - of Iraniërs.”

Dr Fayads woorden worden bevestigd door drie kinderen, allen op de een of andere manier in de oorlog beschadigd, die in het Russische Culturele Centrum meedoen aan een artistiek-educatief project. Beneden staan een erewacht, een haag van genodigden en tafels vol hapjes te wachten op het Moederdag-bezoek van Mona Hrawi, de vrouw van de maronitische president van Libanon, boven vertelt de shi'itische Khadijah (13) gedecideerd dat haar land als gevolg van de oorlog “geen respect meer geniet in de wereld”. Khadijah was erbij toen haar moeder tijdens een inter-islamitische gevechtsronde werd gedood. Haar vader werd door strijders van de shi'itische militie Amal ontvoerd en gefolterd, maar uiteindelijk levend vrijgelaten. De 12-jarige Charbel, een christelijk jongetje dat in 1989 door een tank werd overreden maar na twee jaar ziekenhuis weer op de been is, zegt hetzelfde. Eyub, eveneens 12, die in een gebouw woonde dat ook een strijdgroep herbergde en karweitjes voor de strijders opknapte, zegt nu: “ze hebben Libanon verwoest”.

Dr Fayad signaleert de gevolgen van de oorlog: de toegenomen criminaliteit, het drugsgebruik, prostitutie, een ontwikkeling die nog wordt versterkt door de werkloosheid van 30 tot 40 procent. “Vroeger hadden we nauwelijks misdaad. Maar nu zijn er verkrachtingen, vrouwen worden afgeslacht. Dat kwam vroeger niet voor.”

Het verschrikkelijke verkeer, waarin iedereen luid toeterend probeert door te drukken, weerspiegelt volgens haar de huidige geestesgesteldheid van de Libanezen. “De verkeersdeelnemers zijn uiterst agressief. Ze hebben jarenlang andermans agressiviteit moeten dulden, en nu is het hun beurt anderen hùn wil op te leggen.”

Minister van sociale zaken Elie Hobeika spreekt van “sociale ziekten” als hij het over drugsgebruik, criminaliteit en prostitutie heeft. “Voor de oorlog bestond een speciale moraliteit in Libanon - als een Oriëntaalse maatschappij - maar die heeft in de oorlog een zware klap gekregen. Dat is vertaald in drugsproblemen, misdaad, prostitutie.” Hij geeft cijfers: 40.000 drugsverslaafden, 6 à 7.000 prostituées, en evenveel delinquenten, op een totale bevolking van ongeveer 3 miljoen. “De generatie, die alleen maar heeft geleerd om oorlog te voeren, mensen die veel problemen hebben om de vrede te overleven.”

En wat doet de regering? De regering maakt grootse plannen.

De regering op zich geniet weinig krediet bij de bevolking. Dat is voor een deel de erfenis van de burgeroorlog, toen het staatsgezag niet verder ging dan de muren van de ministeries en veel ministers niet veel anders deden dan hun zakken vullen, een situatie die overigens niet véél verschilde van de vooroorlogse toestand. Deels ook is dat het gevolg van het feit dat verscheidene leidende figuren uit de oorlog, beruchte militieleiders, nog steeds een ministerspost bezetten. Druzenleider Walid Jumblatt bij voorbeeld, of Hobeika, die voor hij in 1985 naar Syrië vluchtte de Forces Libanaises leidde, de grootste christelijke militie, en die onder andere verantwoordelijk wordt geacht voor het bloedbad in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila in 1982.

Eigenlijk de enige die populariteit geniet en een mate van vertrouwen inboezemt, is de sunnitische premier Rafiq Hariri. Hij is een self-made man, die in de bouw in Saoedi-Arabië zijn fortuin heeft gemaakt: hij wordt geschat op 5 miljard dollar en zou, puur cijfermatig bekeken, de wederopbouw van Libanon grotendeels uit eigen zak kunnen betalen. Zijn benoeming, in het najaar, gaf de Libanezen tenminste weer een beetje vertrouwen in de toekomst: als zo'n handige zakenman niets in de onderneming zag, zou hij er toch niet instappen? Het gebrek aan daadkracht van de voorgaande na-oorlogse regeringen, die het pond tot een uniek dieptepunt van meer dan 2.000 tegen een dollar hadden laten afglijden, had in mei nog geleid tot een wilde algemene staking die het spookbeeld van een nieuwe ronde burgeroorlog opriep. De oude antiquair, de architecte, de journalist en andere kritische Libanezen zijn het eens dat als Hariri het land niet uit het slop kan halen, het met Libanon gedaan is. Al verwijten ze hem in één adem dat hij - volgens zijn medewerkers om zijn vertrouwen in Libanons toekomst te onderstrepen - in snel tempo bezig is het land op te kopen.

“Ik denk dat de problemen waarmee het land wordt geconfronteerd een verandering eisten, en daarom ben ik (als premier) gekozen”, zegt Hariri zelf. “We hebben verschrikkelijke problemen door de oorlog, van alle soorten en met alle aspecten. De mensen denken misschien dat ik die kan oplossen.”

Veel Libanezen vragen zich af of dat wel mogelijk is met dezelfde oude, corrupte bureaucratie en met een ministersploeg die ten dele nog uit de oorlog stamt. Maar Hariri heeft er alle vertrouwen in: bureaucratieën heb je overal in de wereld, er zijn uiteindelijk ook 20 nieuwe ministers, er is goede samenwerking met het parlement en er zijn organen als de Raad voor Ontwikkeling en Reconstructie (CDR) die de grote projecten onder hun hoede hebben en ervoor moeten zorgen dat de zaak niet in de dossiers blijft steken.

Als inderdaad alles wordt verwezenlijkt wat nu wordt gepland, biedt Libanon in de toekomst een radicaal ander beeld. Vorige week is Horizon 2000 onthuld, het tien-jarenontwikkelingsplan voor het hele land, dat nu wordt begroot op 10 miljard dollar maar volgens Hariri uiteindelijk op 15 miljard zal uitkomen. Het is niet zozeer een wederopbouw- als wel een nieuwbouw-plan: achtereenvolgende Libanese regeringen hebben zich altijd op het centrum van Beiroet geconcentreerd, hun aanhangers beloond en de rest verwaarloosd. Er zijn nauwelijks publieke ziekenhuizen, wie het even kan betalen mijdt de openbare scholen en de wegen zijn slecht - als ze er al zijn. Het shi'itische parlementslid voor Jbeil, niet meer dan 30 kilometer van Beiroet, wees er onlangs op in de Revue du Liban dat er talrijke dorpen in zijn district liggen die noch water, noch elektriciteit noch telefoon hebben en waarvan de inwoners kilometers moeten lopen voor ze op een verharde weg komen. “Het zou niet mogelijk moeten zijn dat je niet meer dan 30 kilometer van Beiroet leeft en in zo'n staat moet leven”, aldus Mahmoud Awad.

Er komt een nieuwe luchthaven, voor zes miljoen reizigers per jaar in 2000, een project dat Hariri zéér ter harte gaat omdat het werk al is begonnen en het als zodanig een voorbeeldfunctie heeft. “Het plan is geconcipieerd in 1970, het is gewijzigd in 1978, het contract is getekend in 1981, en het werk is een beetje begonnen en weer gestaakt, en weer begonnen en weer gestaakt. En toen kwam ik en ik trof een zeer ingewikkelde situatie aan. Vervolgens heb ik een overeenkomst bereikt met een bouwmaatschappij. Ziet u?” Hij wijst erop dat er over twee jaar in totaal een miljoen telefoonlijnen zullen zijn geïnstalleerd, dat wordt gewerkt aan het herstel van de elektriciteitsvoorziening. “Voor hier is dat een nieuwe manier van werken.”

En dan is er het plan voor het centrum van Beiroet, geraamd op 2 à 3 miljard dollar, en de rehabilitatie van de verkommerde voorsteden van de hoofdstad, die nu naar schatting ruim de helft van de Libanese bevolking onderdak biedt, waarvoor recentelijk 660 miljoen dollar is uitgetrokken, en nog veel meer. Het is bij elkaar een heleboel geld, en daarop is ook veel kritiek.

Omar Karami, die als premier ten val kwam als gevolg van de algemene staking van 6 mei, verwoordde vorige week de angst van velen dat Libanon zich tot over de nek in de schulden gaat steken. Volgens de regering kan het plan Horizon-2000 grotendeels worden gefinancierd uit inkomsten uit telefoon en elektriciteit. “Denk u eens in de exorbitante bedragen die de burgers zullen moeten opbrengen!”

“Moet het allemaal zo groot”, vraagt de parlementariër Najah Wakim. Wakim is een christen, maar niet uit het establishment, en hij woont in West- niet in Oost-Beiroet. In zijn oude auto ligt achteloos een geweer op de grond, en in zijn woonkamer zit zijn lijfwacht: Wakim heeft onder andere met zijn ferme uitspraken over de gigantische corruptie bij de overheid talloze vijanden gemaakt.

“Iedereen kan worden vermoord”, zegt hij, “speciaal wanneer je in de oppositie zit, en niemand zal ooit weten wie het heeft gedaan.” Wakim, een linkse advocaat die sinds 1972 in het parlement zit, denkt dat het veel verstandiger is de gaten in de wegen te repareren dan alles nieuw aan te leggen, de elektriciteitscentrales op te peppen dan nieuwe te bouwen, zich niet aan buitenlandse krediteuren uit te leveren. Waarom een luchthaven voor zes miljoen reizigers? Hij zegt dat er in het parlement in principe meer mensen denken zoals hij, maar dat de Mercedes-fabriek rijk wordt van de Mercedessen-600 die onder opposanten van het regime worden uitgedeeld.

“Hariri denkt zoals ze in Riad denken”, zegt de shi'itische journalist. “Wanneer je wat wilt bouwen, dan doe je dat. Maar hier zijn we niet in Saoedi-Arabië.” “Je moet kleine stappen nemen. Je kunt niet zeggen: hé jij daar, je hebt niets! Je hebt tien pakken nodig, vijftig dassen, een Mercedes en een groot huis. En wanneer hij dan vraagt: hoe moet ik dat betalen? zeg je: oh, je kunt het wel lenen. Nee, je moet zeggen: je hebt twee kamers nodig en een binnenlandse telefoonlijn. Waarom zou je met Parijs moeten bellen?”

“Als we eenmaal aan het lenen zijn gegaan, hoe moeten we dat dan terugbetalen? Het wordt heel moeilijk voor Libanon zijn oude rol van bankier en agent voor het Midden-Oosten terug te winnen. De Golf-Arabieren spreken tegenwoordig zelf Engels, daar hebben ze ons niet meer voor nodig, en ze hebben hun eigen banken: onze rol is door de anderen geüsurpeerd.”

Maar wil er geld uit het buitenland binnenkomen - of de opposanten het er nu mee eens zijn of niet - dan moet er in elk geval vertrouwen in de Libanese toekomst zijn. Hariri toont zich niet ontevreden over de hulp uit het buitenland: in totaal 500 miljoen dollar tot dusverre, zegt hij, “ik ben niet teleurgesteld.” Maar in de kranten valt te lezen dat de investeringen tegenvallen, omdat de buitenlandse investeerders wachten op de overzeese Libanezen, die over naar schatting 45 miljard dollar beschikken, en de Libanezen op de buitenlanders.

Want wat wordt het met Libanon? Is het echt vrede, of slechts een langdurig staakt-het-vuren? Hariri is immers al eens eerder, halverwege de jaren tachtig, aan de gang gegaan om Libanon te repareren, maar toen moest er uiteindelijk nog jaren worden gevochten.

Hariri zelf is optimistisch. “Het is werkelijk vrede. De mensen zijn het beu oorlog te voeren zonder énig resultaat, zonder éts te bereiken. Oorlog in Libanon kan nergens toe leiden. En deze generatie heeft een hoge prijs betaald om dat te begrijpen. Ziet u, dit land kan niet worden geleid door één persoon of door de islamieten alleen, of door de christenen alleen. Of zelfs door één partij alleen. Dit land moet worden geleid en zal worden geleid door verzoening.”

Maar nu nog niet. De christenen, die in 1989 het akkoord van Taif, de basis van de huidige vrede, door de strot gewrongen kregen, doen niet mee. Uit protest tegen de Syrische bezetting weigerden zij deel te nemen aan de parlementsverkiezingen van afgelopen zomer, en nu staan zij morrend vanaf de zijlijn toe te kijken. Want de christelijke president Hrawi wordt als marionet van Syrië gezien, en mensen als Wakim die zich toch verkiesbaar hadden gesteld, als verraders.

Veel christenen gaan weg, niet alleen uit Libanon maar uit het hele Midden-Oosten, omdat zij in het diepst van hun hart de islamitische meerderheid niet vertrouwen. Diverse malen komt het in gesprekken plotseling tot een ontboezeming: “Dit is alleen voor úw oren bestemd, maar de moslims zijn er op uit ons te overheersen.”

“Er is niet zoiets als een Libanese gemeenschap”, heeft Kamal Jumblatt, de door de Syriërs vermoorde vader van de huidige druzenleider Walid Jumblatt gezegd. “Libanon is een verzameling sekten en socio-religieuze gemeenschappen. Dit is geen maatschappij, geen gemeenschap, geen natie.” Sindsdien lijkt er niet veel veranderd.

Elie Hobeika spreekt niet van verschillende sekten of godsdiensten maar van “stammen”, en “verdeeld zijn in stammen of in confessionele gemeenschappen vormt een belangrijk ingrediënt voor een nieuwe burgeroorlog. Maar een ander noodzakelijk ingrediënt is tweedracht, en zolang de Libanezen niet op deze manier buitenstaanders de middelen bieden om het land te destabiliseren, komt er geen oorlog.”

Maar, zo waarschuwt Najah Wakim: “Er komt ook geen echte vrede wanneer arm en superrijk naast elkaar leven, zoals in Beiroet het geval is.” Velen hebben geen werk, de meerderheid van de werkenden krijgt het minimumloon van ongeveer 75 dollar, terwijl er miljardairs in de regering zitten. “Ontheemden leven met grote gezinnen in één klein kamertje in een praktisch verwoest gebouw, terwijl naast hen een flatgebouw verrijst waar de appartementen honderdduizenden dollars gaan kosten: een vruchtbare voedingsbodem voor fundamentalistische groepen als Hezbollah.”

Op Hamra loopt een jonge vrouw met een zuigeling te bedelen. Een andere jonge vrouw rijdt haar in haar Mercedes-coupé voorbij.