Gorré hield altijd voldoende afstand tot de "Bouterse-kliek'; Venetiaan zet democratisering leger door

ROTTERDAM, 2 APRIL. Met de benoeming van Arty Gorré (43) tot legerleider heeft de regering van president Ronald Venetiaan aangegeven geen tussenweg meer te willen bewandelen in de omvorming van het leger tot een democratisch gezind apparaat. Gorré, al geruime tijd beschouwd als de meest kansrijke kandidaat, was de belangrijkste adviseur van minister Gilds van defensie. Gilds heeft sinds zijn aantreden volhard in zijn streven een eind te maken aan de rol van het leger als spelbreker in het moeizame democratische proces. Eind vorig jaar ruimde Desi Bouterse het veld als bevelhebber, nadat hij ondanks een uitdrukkelijk verbod de kazerne had gebruikt als politiek podium.

De Surinaamse legerleiding had de afgelopen weken een ware zenuwenoorlog ontketend om het naderend onheil af te wenden. Niemand in Paramaribo twijfelt eraan dat Bouterse, inmiddels voorzitter van de Nationaal Democratische Partij (NDP), daarbij als souffleur optrad. Had hij immers niet zelf gesproken over de onverbrekelijke band tussen de NDP en het leger? Bovendien zijn enkele officieren, onder wie chefstaf B. Sital, in de partij actief.

Plaatsvervangend bevelhebber I. Graanoogst, chefstaf Sital en marinecommandant Ch. Mijnals hadden er aanvankelijk nog op gespeculeerd dat minister Gilds (van de sociaaldemocratische partij SPA) zou stuklopen op gebrek aan lef bij de drie andere (etnische) regeringspartijen. Maar de coalitie van het "Nieuw Front' bleek opmerkelijk eensgezind. De demonstratie die de legerleiding op 25 februari organiseerde ter herdenking van de militaire coup in 1980, was de voor de regering-Venetiaan - die deze officiële feestdag juist had afgeschaft - de druppel die de emmer deed overlopen. Minister Gilds haalde zich de woede van legerleiding op de hals door haar voor de zoveelste maal openlijk te hekelen.

Op 5 maart vergaderde president Venetiaan met zijn vice-president, de minister van defensie en enkele politici van de regeringscoalitie in zijn kabinet, met als enig agendapunt: vervanging van de gehele legertop. “Vanaf die dag heeft de legerleiding vergaderd alsof haar leven ervan afhing”, zegt een ingewijde. Opzet was om Gilds ten val te brengen en op die manier tweedracht te zaaien in de regering. De legerleiding vond met enige moeite 22 officieren bereid hun handtekening te zetten onder een verklaring, waarin werd gesproken van een “vertrouwenscrisis” tussen leger en minister. De door de legerleiding zelf opgestelde verklaring ging als brandbrief naar de president, die ook opperbevelhebber is. Met deze actie bereikte de legerleiding meteen een ander doel: de 22 officieren hebben zich met hun handtekening gecompromitteerd, waardoor de regering minder keuze heeft bij het zoeken naar kandidaten voor een nieuwe legertop.

Graanoogst en de zijnen waren kennelijk niet al te gerust op het effect. Want enkele dagen voordat Venetiaan met de 22 briefschrijvers zou spreken, vroeg de legerleiding zelf spoedbelet bij de president. Volgens haar zou Gilds zich schuldig hebben gemaakt aan een samenzwering tegen de legertop, waardoor de staatsveiligheid in gevaar kon komen.

President Venetiaan liet de procureur-generaal onderzoeken of er aanleiding was tot enige actie tegen minister Gilds. Door deze stap leek het er voor de buitenwacht even op, alsof de president zijn minister liet vallen. Maar binnenskamers had hij de uitlatingen van plaatsvervangend bevelhebber Graanoogst al gekwalificeerd als “geraas en getier”. Op een gezamenlijke persconferentie met Gilds liet de president geen enkele twijfel meer bestaan over zijn gezindheid. Volgens ingewijden heeft Venetiaan er zelfs verstandig aan gedaan de procureur-generaal in te schakelen. De legertop had de kwestie anders mogelijk in handen gegeven van de commandant van de militaire politie (die ook hulpofficier van justitie is), waardoor de politieke crisis was vergroot.

Deze week kwam de procureur-generaal met de vaststelling dat Gilds zich niet aan enig strafbaar feit had schuldig gemaakt. De bewindsman had inderdaad tegenover commandant E. Boerenveen gezegd dat “niet iedereen tevreden zal zijn met de beslissing ter vervanging van de legerleiding en dat wij hierdoor misschien het risico lopen dat er over en weer kogels kunnen vliegen en dat er bloed kan vloeien.” Maar volgens de procureur-generaal kan deze uitlating, gedaan “in een heel openlijke en niet geheimzinnige sfeer”, niet worden uitgelegd als willens en wetens tot bloedvergieten aanzetten, zoals de legerleiding had beweerd.

De positie van de huidige legerleiding is met de uitspraak van de procureur-generaal volstrekt onmogelijk geworden. Het is volgens ingewijden in Paramaribo geen toeval dat de benoeming van Gorré juist nu bekend is gemaakt. En de verwijdering van de rest van de legertop zal spoedig volgen.

In Paramaribo twijfelt men er niet aan dat Gorré het leger achter zich krijgt. De 22 officieren zijn een minderheid in het zeventig leden tellende officierskorps. De "Bouterse-groep' heeft in het leger nog slechts beperkte aanhang; vooral de zelfverrijking van deze elite heeft bij velen kwaad bloed gezet. Bovendien kent Gorré veel soldaten persoonlijk, omdat hij jarenlang de commando-opleidingen heeft verzorgd.

Gorré behoorde tot de zestien sergeanten die in 1980 onder leiding van Bouterse een coup pleegden. Toch heeft hij altijd zoveel afstand gehouden tot de "Bouterse-kliek', dat hij in Paramaribo nu politiek acceptabel is. Hij was volgens verschillende getuigenverklaringen niet in fort Zeelandia aanwezig bij de decembermoorden in 1982. Enkele jaren nadien verliet hij het leger, onder meer wegens onenigheid met Bouterse.

De nieuwe Surinaamse bevelhebber ligt ook goed bij Nederland, wat van belang is bij de militaire samenwerking in het kader van het Raamverdrag. Gorré is in Roosendaal opgeleid als commando door generaal H.G.B. van den Breemen, tegenwoordig op Defensie in Den Haag plaatsvervangend chef defensie-staf en belast met de portefeuille Suriname. Ingewijden menen dat Nederland langs de “geëigende kanalen” een voorkeur voor Gorré had laten doorschemeren. In Paramaribo circuleerde ook enige tijd de naam van E. Boerenveen, commandant van de militaire politie, als potentieel kandidaat. Hij zat enkele jaren in Miami gevangen wegens betrokkenheid bij cocanehandel. Zijn goede opleiding en professionele opstelling worden algemeen geprezen. Maar een benoeming tot bevelhebber is uitgebleven, omdat dit slecht zou zijn voor het imago van Suriname in het buitenland.

Kunnen Bouterse en de zijnen nog iets doen aan het besluit van president Venetiaan? Een simpel telefoontje naar het presidentieel paleis, zoals op kerstavond 1991, zal in elk geval niet voldoende zijn.