Falling down

In de film Falling Down is Michael Douglas een werkloze employé uit de defensie-industrie.

Het is de heetste dag van het jaar. Hij zit in zijn auto, muurvast in een file. De ventilator doet het niet, links en rechts, voor en achter lawaai, geschreeuw, getoeter. Wie nog auto rijdt zal de situatie herkennen. We zien hem denken: ik verdom het. Hij mompelt: ik ga naar huis, stapt uit en loopt met pathologisch vastberaden tred, ongeveer als de held in Wim Wenders' film Paris Texas door het barre stadschap, het terrain vague, de vuilnisvlakte die iedere moderne metropool heeft. Daar voltrekt zich het eerste treffen, met twee rovertjes van Latijns-Amerikaanse afkomst. Hij wint, zijn buit is een baseball-knuppel. Daarmee slaat hij de winkelvoorraad van een Koreaanse Amerikaan kort en klein omdat deze middenstander de klant overvraagt en daarbij slecht Engels spreekt. Na een nieuwe ontmoeting met de rovertjes heeft hij zich tot zijn eigen verbazing een tas met automatische wapens verworven. Hij leegt zijn uzi op het plafond van een restaurant als hij daar om drie minuten over half twaalf geen ontbijt meer kan kopen omdat de ontbijtkeuken om half twaalf dicht gaat. Zo volgen de eigentijdse confrontaties elkaar op. Met Michael Douglas loopt het slecht af; ik vertel niet hoe en waardoor en ik zal ook niet zijn laatste woorden verklappen, omdat daarin de moraal van het verhaal besloten ligt. Het gaat erom dat deze film in de Verenigde Staten diepe meningsverschillen heeft veroorzaakt.

Aan de ene kant staan degenen die zich in de held herkennen, de mensen die zich tot revolutionair wordens toe getergd voelen door de stagnerende consumptiemaatschappij die alles blijft beloven en de goedgelovigen vervolgens straft met een knol voor een citroen. Deze partij der bedrogenen ziet in de held van Falling Down zichzelf, eindelijk tot actie overgaand tegen de legioenen der illegalen, baliekluivers, kantjes-eraf-lopers, dienstkloppers en misbruikers van sociale voorzieningen. Aan de andere kant treffen we de critici die in Michael Douglas hier wel een revolutionair zien, maar dan een van het conservatieve type, een bereider van de reactionaire omwenteling zoals die door Hermann Rauschning is beschreven. Een man dus die we nu in Nederland onder de sympathisanten met de Centrumdemocraten aantreffen.

Het conflict loopt hoog op. De New Yorker had voor de film geen goed woord over. De New York Times had voor alle zekerheid een prijzende en een negatieve bespreking. In de International Herald Tribune van 1 april staat een column van George F. Will, een schrijver die niet van zijn eerste conservatieve mening verlamd is geraakt. Hij vindt het een verwerpelijke film: “Er gaat de sterke suggestie van uit dat de heer Douglas hier de zich het snelst vermenigvuldigende soort Amerikaan vertegenwoordigt: het slachtoffer van de maatschappij. Maar het verhaal geeft ook steun aan het kermende zelfmedelijden van de middenklasse en daardoor versterkt het de verkiezingsrethoriek van beide politieke partijen.” “Beweerd wordt,” schrijft Will, “dat Falling Down een catharsis tot stand brengt, maar dan is het wel een catharsis met gebalde vuisten.” “In ieder geval,” besluit hij zijn column, “heeft de catharsis in Los Angeles nog niet goed gewerkt. Volgens Koreaans-Amerikaanse organisaties is sinds de première hier op acht Koreaans-Amerikaanse winkeliers het vuur geopend; in vijf gevallen met dodelijke afloop.”

Hier dreigt de discussie een onoverzichtelijke wending te nemen. Is het in het algemeen waar dat zien aanmoedigt tot doen, of geldt dat alleen voor deze film? Ik geloof, zonder bewijs, dat de stelling in haar algemeenheid veel waarheid hoewel niet de volledige bevat, maar alleen al door dit op te schrijven vrees ik verloren te gaan in het oeverloze dat het onderwerp eigen is. Het is niet uitgesloten dat een latente gek na het zien van Falling Down met baseball-knuppel in een Koreaanse buurtwinkel tekeer is gegaan - of erger. Wil men dergelijke gevolgen consequent vermijden dan moet men geen films meer maken waarin geschoten wordt, en dit betekent het einde van Hollywood.

Er zullen er zeker zijn, door zelfmedelijden overstelpte, met mislukking bedreigde mensen uit de middenklasse die Falling Down niet als een catharsis beleven maar er een rechtvaardiging in zien om zelf de hand aan de knuppel te slaan. In de zaal waar ik de film heb gezien ging af en toe een hoeraatje op, maar er werd ook flink gelachen. Er zitten ook satirische kanten aan, die in het debat vrijwel geen rol hebben gespeeld.

Ik zag de film op 27 februari, in de vroege middagvoorstelling in een bioscoop in Lower Manhattan. Ongeveer tijdens de passage waarin de held het aan de stok krijgt met een neonazi skinhead hoorde ik een verre dreun. Dat bleek de bom in World Trade Center te zijn.