Een beetje honger en een beetje heimwee; Roman van F. Springer over een terugkeer naar Indonesie

F. Springer: Bandoeng-Bandung. Uitg. Querido, 146 blz. Prijs: ƒ 27,50.

“Met de tegenwoordige openbare mening over de ervaringen van Nederlanders in Japanse interneringskampen is het wat wonderlijk gesteld”, schreef A. Alberts een paar jaar geleden in De kolonie is ook maar een mens. Zo'n diplomatieke formulering van een nog altijd delicate kwestie is hem wel toevertrouwd. Op de vraag hoe erg het nu eigenlijk was geeft hij geen ondubbelzinnig antwoord. Historici moeten maar uitmaken hoe de vork precies in de steel zat. Intussen doet hij, op zijn bekende laconieke toon, verslag van wat hem in verschillende kampen overkwam. Over de geleden ontberingen treedt hij niet in detail. Er was weinig te eten, zoveel wil hij wel kwijt en daarom ging het veel geïnterneerden op den duur slecht. Haast net zo erg als de honger lijkt hij de geestelijke afstomping te hebben gevonden die ermee gepaard ging. De fixatie op eten uitte zich onder meer in het uitwisselen van recepten. Daaraan deed hij niet mee. Niet omdat hij zich daar boven verheven voelde maar, zo schrijft hij droogjes, ”omdat ik op het stuk van koken nog niet over één linkerhand beschik'.

F. Springer is een heel ander soort schrijver dan Alberts, maar hij heeft een vergelijkbaar diplomatieke inslag. Ook hij houdt graag in het midden hoe hij zijn Indische verleden ervaren heeft. Hoeveel jeugdherinneringen hij verwerkte in zijn nieuwe novelle Bandoeng-Bandung zou ik niet weten. In elk geval legt hij zijn hoofdpersoon, Chris Regensburg, een uiterst relativerende uitspraak over zijn kampgeschiedenis in de mond: ”Een beetje honger, een beetje heimwee', zegt hij stoer als er naar ”vroeger' wordt geïnformeerd. Sinds zijn gedwongen vertrek uit de politiek denkt Regensburg erover zijn memoires te schrijven, maar over zijn ”land van herkomst' heeft hij eigenlijk niets bijzonders te melden. “Hij besefte dat hij niet één originele syllabe had toe te voegen aan de zogenaamde terugkeerliteratuur die sinds jaar en dag de Nederlandse boekwinkels uit puilde. Wie had géén goede herinneringen aan korte schooltijden, veel zwemmen, zorgzame bedienden, geheimzinnige natuur.”

Zodra hij besluit deel te nemen aan een handelsmissie naar Indonesië en oude brieven van zijn moeder gaat lezen, begint hij zich steeds meer van zijn jeugd te herinneren. Maar het zijn weinig saillante gebeurtenissen die hem te binnen schieten. Veel schokkender herinneringen komen pas weer boven als hij een klasgenoot van vroeger ontmoet.

Iets vergelijkbaars beschreef Springer al eens eerder in de novelle Tabee, New York (1974) die zich eveneens voor een deel in Bandung afspeelde. Daarin werd de diplomaat Rudy door een onverwachte ontmoeting pijnlijk aan het verleden herinnerd. Maar verder lijken de twee Bandoengse verhalen niet erg op elkaar. Tabee, New York was een levendige liefdesgeschiedenis met een vrolijk-wanhopige ondertoon. Daarbij vergeleken is Bandoeng-Bandung een heel wat bedaagder verhaal. Dat zit vooral in het overmatig beschrijvende en buitenkantige karakter ervan, dat nog wordt versterkt door het soort mens dat Springer erin laat optreden. Misschien komt de oppervlakkige snoever onder zakenlieden en politici veel voor, maar deze keer zijn ze hinderlijker aanwezig dan anders. Het zijn types die het ”scheurend heet' hebben en die spreken over ”verrekt goeie wijn', ”een mooi pusjoen', ”een prima durrep' en ”de polletiek'. Ook zijn hoofdpersoon is bepaald geen diepgraver met een rijk gevoelsleven. Hij wordt omschreven als een ”koele realist' die niet van slappe praatjes houdt en die zichzelf goed in de hand meent te hebben. Maar zijn onverschillige air smelt weg als hij eenmaal in Bandung, het domein van zijn jeugd, is gearriveerd.

Springer laat zijn hoofdpersoon ontdekken ”hoe erg het was', en voor wie. Niet ”wij' zijn de ergste slachtoffers van de oorlog geweest, maar ”zij', de Indonesiërs. In de verte doet Bandoeng-Bandung aan Oeroeg, van Hella Haasse denken. Net als Haasse ensceneerde Springer een hernieuwde ontmoeting tussen een Hollandse en een Indische man. Een belangrijk verschil is echter dat die ontmoeting bij Haasse een goed voorbereid hoogtepunt van het verhaal vormt, terwijl Springers Otje er een beetje met de haren bij lijkt gesleept om het geheel nog enige spanning te verlenen. De geschiedenis is bovendien aan de sentimentele kant.

Het was Otje die ervoor zorgde dat de uitgehongerde Chris vlak na de bevrijding te eten kreeg. Uit erkentelijkheid stelde Chris hem van alles in het vooruitzicht, maar kwam niet één van zijn mooie beloften na. Hij vergat zijn Indische vriendje eenvoudigweg.

Springer maakte het zichzelf en ons niet al te moeilijk met psychologische of sociologische nuances, maar zette de contrasten flink aan. Terwijl Chris na zijn politieke carrière ”afgescheept' wordt met het vooruitzicht op een burgemeesterspost, moet Otje op middelbare leeftijd nog altijd sappelen om in het onderhoud van vrouw en kinderen te voorzien. Hij draagt schoenen zonder veters en sokken, zijn hoofd ziet er verkreukeld uit en tanden heeft hij praktisch niet meer. Maar wel is zijn hemd met rafelig boord ”kraakhard gesteven' en zitten er in zijn versleten broek ”perfecte vouwen', want Otje is nog altijd een keurig iemand ook al heeft hij het niet breed.

Om zijn verhaal rond te krijgen en het vooroorlogse Bandoeng met het naorlogse Bandung nog enigszins met elkaar te verzoenen, koos Springer voor een gemakkelijke uitweg. Want nadat zonneklaar is gebleken hoe koloniaal de een de ander behandeld heeft, vallen ze elkaar tenslotte toch nog als oude vrienden in de armen. Zodat de trouweloze politicus aangedaan kan verzuchten: ”Alles is gezegd, zo is het goed'.