De wormen maken het gezellig in de kist; De inlijvingsdrift van Peter Ghyssaert

Peter Ghyssaert: Cameo. Uitg. Bert Bakker, 84 blz. Prijs ƒ 39,90.

Twee bundels schreef de jonge Vlaamse dichter Peter Ghyssaert tot nu toe: Honingtuin (1991) en Cameo. Samen bevatten ze honderdachttien gedichten, stuk voor stuk bijzonder, op allerlei manieren - maar het meest bijzondere is dat in geen ervan het woord ik voorkomt. Ghyssaert is geen lyricus die zijn hart en ziel wil uitzingen. Hij zoekt het buiten zichzelf: in nauwkeurig kijken en aandachtig luisteren, eerder in portretten dan in gemoedslozingen. Het oog en het oor hebben het hier voor het zeggen, en het wemelt in zijn poëzie dan ook van de treffende waarnemingen en beelden. Op een stilleven ziet hij ”luikjes winterlicht op tin'. Scarlatti klinkt soms ”als een glas gewreven door de natte vingertoppen van een freule'. De spinnewebben zijn ”sjaals van zilver' waarin dode vliegen hangen ”te drogen (-) in lichte sarcofagen'. En over een oude mevrouw die niet lang meer te leven heeft, noteert hij deze genadeloze regels: ”Nooit zal zomerlicht/ nog sap aanmaken in de oude vrucht/ van dat gezicht'. Zo zou een bespreking van Cameo eruit kunnen zien: een lange opsomming van rake observaties en soepele formuleringen. Wat bij de meeste dichters de krenten in de pap zijn, is bij hem in overvloed aanwezig; soms zie je door de krenten zelfs de pap niet meer.

Net als in Honingtuin is de strekking van de meeste gedichten somber. Verval en bederf, herfst en rotting zijn overal aanwezig: in bos en lommer, in heden en verleden, in natuur en cultuur, in muziek en schilderkunst, in vorstelijke paleizen en in achterafkamertjes. Niemand ontkomt aan de gang die de dichter zelf in de vijf afdelingen van zijn bundel ook moet maken: van vrolijke muziek in het begin naar ziekte en dood in het eind.

Het intrigerende van Ghyssaerts poëzie is dat hij het verval zo trefzeker weet te vangen, zodat zijn gedichten al meteen van een mooie tegenstelling zijn voorzien: de vorm neemt het keer op keer tegen de inhoud op. Hij is in staat om binnen een gedicht verschillende stemmingen naast elkaar te laten bestaan en ze tot en met de afronding in bedwang te houden, zonder toe te geven aan goedkoop sentiment of gemakkelijke spotzucht. Neem het openingsgedicht ”Scène met oude muziek'. Daarin gaat het om de klank van de clavecimbel. Het instrument wordt hier voorgesteld als een afbraakmachine, waarin de mooie partituren van Bach, Händel, Rameau of Couperin vermalen worden; wat eruit komt, klinkt als gemalen glas, waarvan het stof

dames op de zinnen slaat

zodat zij ogen pinken,

wenend: één voor oude vreugde

en het ander voor oud zeer.

Er zit een scheutje ironie in die ”dames' met hun fijngevoelige ”zinnen'. Er zit iets nuffigs in het pinken en wenen. Er zit iets komisch in die keurige verdeling van de tranen over beide ogen: het linker voor oude vreugde, het rechter voor oud zeer (of omgekeerd). Maar bij al deze fijnzinnigheid worden de dames toch in hun waarde gelaten, en hun gemengde gevoelens eveneens.

In het gedicht ”Huisconcert' spelen jonge pianisten braaf wat oudere dames hen opdragen. De ambiance is chic, maar ook wat sullig: een gemproviseerd podium, kamerplanten, ruches, sherry. Het personeel houdt de verversingen in de gaten, maar zou nu het liefst buiten in regen en wind lopen. En de kok zit erbij, op een magazijnstoel, ”achter zijn nog verduisterde buffet', te wachten tot het concert afgelopen is. Dat is alles: een welluidend portret van lichte verveling, lichte ontevredenheid, lichte berusting en lichte benauwdheid, mooi bijeengehouden in de stolp van een sonnet.

Onder een stolp plaatsen, in een domein onderbrengen, opnemen in een interieur: dat doet Ghyssaert vaak. Zijn vele ik-loze landschappen, portretten en scènes getuigen van een zekere inlijvingsdrift, al is het moeilijk te zeggen waar die drift weer uit voortkomt: ontvluchten van het verval of het bezweren ervan, angst voor ”het winderige leven' of juist verlangen naar onderdak. Verwonderlijk is het niet dat Ghyssaert een voorkeur heeft voor plaatsen en tijden waar een verstarde cultuur haar werk al heeft gedaan. Het leven in Versailles ten tijde van de Zonnekoning wordt beschreven als een tot in de puntjes geregisseerd toneelstuk. De struiken in de tuinen zijn er met kleur bestikt. Handige toneelknechten en begaafde weermakers zorgen er voor blauwe luchten en af en toe een weinig regen. Het lange bedrijf van de herfst wordt er weloverwogen in scène gezet. En iedere ochtend wordt het paleispersoneel weer opgesteld in zijn rol van paleispersoneel. Kortom: ”levensecht gespeeld leven/ ver onder zijne majesteit/ die straalt en alles ziet.'

Is dit alleen maar een ironische beschrijving van het geparfumeerde leven in achttiende-eeuwse parken en salons? Of moeten we er ook een portret van ons voorbestemde leven in zien, gespeeld onder het toeziend oog van een andere majesteit? Spel of ernst? Louter geraffineerde buitenkant of huls voor een getourmenteerde ziel? Het is een vraag die zich bij Ghyssaert steeds opdringt; dat zij maar zelden bevredigend beantwoord kan worden maakt zijn poëzie zo bijzonder.

Maar toch, zoveel aandacht voor levensecht gespeeld leven, zo fanatiek telkens weer in poëzie ondergebracht: dat verraadt op zijn minst een obsessie. Ghyssaert lijkt wel een voorschot op de dood te willen nemen: wie hem nu al zo ruimhartig binnenlaat, heeft straks wellicht nog wat extra leven tegoed. Zo wordt het althans voorgesteld in zijn laatste gedicht, het bizarre ”Domein'. Onder de zerk gaat daar het leven door. En het is er zo slecht nog niet. Van de kist is ”een heimelijk interieur' gemaakt. Wormen hebben voor ”een gezellig kastje' gezorgd, met wat etensresten en scherven huisraad. Het is het laatste domein dat te veroveren valt, maar het is de moeite waard. Men vindt er jaarlijks bloemen voor de deur, er komt geen vervelend bezoek binnen en men krijgt er ”zachte handen' en ”zachte ogen'. Wat wil een mens nog meer:

een kleine brand knaagt in de zoete

lamp: nooit aan, nooit uit. Voor altijd

op een duister glanzen afgesteld.