De wederopbouw van het oude Dresden; Naar morgen via eergisteren

Tussen de bouwkranen en wegversperringen wordt in Dresden, de mooiste stad van Oost-Duitsland, de glorietijd van Saksen steen voor steen teruggehaald. Zelfs de Frauenkirche, die in DDR-tijden als ruïne moest blijven herinneren aan het angelsaksisch- kapitalistische bombardement, wordt weer herbouwd. Onlangs vond de heropening van de Sempergalerie plaats, "de belangrijkste culturele gebeurtenis sinds de Duitse eenwording'.

“Aan de overkant van de Elbe, in het dal, lag wat er van de stad restte: een onafzienbare branding van puinhopen, beflard, besliert met witte nevel: een bruid die haar sluier aan stukken had gescheurd bij de aanblik van haar vrijer. Daarachter, naar het zuidoosten, waar de branding verliep, golfden blauwe heuvels tot diep in het tsjechische Bohemen.”

De Saksische cultuurstad Dresden dus, de Duitse Elbflorenz, als gezien in 1956 van de noordkant van de rivier. Elf jaar na A. Hitler, elf jaar na het inferno van verwoestende meerdaagse Brits-Amerikaanse bombardementen, 29 jaar na de geboorte van Harry Mulisch. Dresden 1956, door de matte ogen van een "levende dode'. Namelijk: Norman Corinth, Amerikaans congresbezoeker, ex-bommenwerper, tandarts met misvormd gezicht, de zwaar met symboliek bepakte hoofdpersoon in Mulisch' Het stenen bruidsbed.

Ruim 36 jaar later, drie jaar na de Duitse eenwording, is alweer veel hersteld in het hart van het culturele en architectonische tempelcomplex dat, als in een geplande lawine van een halve eeuw, vooral ontstond dankzij de Wettinger albertinische keurvorsten August II de Sterke (1670-1733) en zijn zoon August III (1696-1763). De achttiende-eeuwse stadsgezichten van de "Saksische' Venetiaanse schilder Bernardo Bellotto, die zich evenals zijn neef en leermeester Canal Canaletto noemde, keren weer.

Tussen de bouwkranen en wegversperringen beweegt de mooiste stad van Oost-Duitsland zich terug naar vroeger. Uit de puinhopen zijn enkele beroemde vierkante kilometers op weg naar een precieze, beredeneerd-historische reconstructie. In 2006 wordt Dresden 800 jaar, dan moeten alle restauraties klaar zijn. Onlangs is besloten tot (particulier gefinancierde) herbouw van Georg Bährs bijna geheel kapotgebombardeerde Elbe-zandstenen Frauenkirche uit 1743, die in DDR-tijden als ruïne moest blijven herinneren aan de angelsaksisch-kapitalistische "oorlogsmisdaad' van februari 1945. Saksens glorietijd wordt nu steen voor steen teruggehaald. Vaak zelfs letterlijk: de stenen zijn zoveel mogelijk bewaard en liggen achter hoge hekken al genummerd klaar aan de Neumarkt, die Canaletto's penselen twee eeuwen geleden in heel Europa beroemd maakte. Anders zijn de benodigde steensoorten trouwens nog steeds in het nabije Ertsgebergte te vinden.

Het gaat nu, nadat de D-mark voor een tempoverhoging heeft gezorgd, snel terug naar de tijd vóór de Pruisen de baas werden, het keizerrijk kwam, de Republiek van Weimar, het Derde Rijk, de DDR. Naar de tijd waarin de schatrijke Wettingers, die in de internationale politiek en krijgskunst niet veel succes hadden, een cultureel hoogland zonder weerga beheerden en kunstkenners met koopopdrachten door heel Europa stuurden.

Meer dan 300 kinderen had August de Sterke, zegt mijn taxichauffeur, met een fooi-gerichte ouwejongensknipoog die mij als geschatte Wessi moet bevallen. “Ja, drie cijfers waren het wel”, zegt een museumgids met een zuinige mond. De op schilderijen vrij uitbundige gravin Cosel, jarenlang Augusts favoriete bijzit, huisde in het Taschenberg-paleisje, pal naast zijn eigen residentie. Dat paleisje, dat nu gerestaureerd wordt tot een duur Kempinski-hotel, was destijds dus dagelijks zichtbaar voor zijn wettelijke gade Christiane Eberhardine. Deze vroom-evangelische dame was in de volksmond bekend als Die Sächsische Betsäule (bidzuil). Toen haar August in 1697 besloot om tot de roomse kerk toe te treden, opdat hij zo ook nog koning van Polen kon worden, weigerde zij hem daarin te volgen. Dresden hield aan dit echtelijk dispuut zowel de katholieke Hofkirche als de protestantse Liebfrauenkirche over. Nadat gravin Cosel wegens haar leeftijd uit de gratie was geraakt, kreeg het plaatsje Stolpen, 20 kilometer naar het oosten, er (voor haar) ook een paleisje bij.

Overdadig

Dresden keert van harte terug naar de tijd van prachtige overdadigheid waarin veruit de meeste Saksers hun zelfvertrouwen en identiteit vonden in de absolutistische uitdrukking van het cultuurbesef van hun populaire keurvorsten. Zij bouwden ook "tegen' het onbeminde Pruisische Berlijn, dat later de centrale kop van de Duitse eenheidsstaat werd en, nog later, de DDR-hoofdstad van SED-keizers als Walter Ulbricht en Erich Honecker. Zoals het restauratieproject nu ook wel een beetje "tegen' de Wessi's van Bonn is gericht, al komen de benodigde miljarden dan grotendeels daar vandaan.

Maar, eerlijk is eerlijk, voordien waren de restauraties al begonnen. Want nadat de DDR in de jaren vijftig-zestig had mogen of moeten besluiten zich voortaan niet meer alleen als proxy van Moskou, maar als een soevereine Duitse staat te gedragen, was al wat veranderd. De boeren- en arbeidersstaat ging sindsdien ook anders om met de Duitse geschiedenis. En dus waren andere officiële richtlijnen losgekomen over Luther, Bismarck en Karl May en over de zin van herstel van burgerlijk-feodale cultuurmonumenten. In Berlijn was onder SED-leiding al veel kaalgeslagen, bijvoorbeeld het Stadtschloss van de Pruisische koningen (dat moest plaatsmaken voor Ulbrichts vierkante Palast der Republik), maar de inwoners van Dresden hadden zulke stedebouwkundige vooruitgang in het hart van hun stad weten te verhinderen.

Elders in de Saksische hoofdstad werd wèl met harde volkshand beslist volgens de toenmalige architectuur-criteria. De triest-kaarsrechte, breed-grauwe Prager Strasse, ooit dé straat van de stad, is daarvan een voorbeeld. Warenhuizen als Kaufhof, McDonalds en vele frituurinrichtingen houden er nu hof, toeristen slapen er in identieke, hoge blokkendozen uit DDR-tijden (de hotels Königstein, Lilienstein en Bastei). Aan het ene einde wacht het station achter een vierkante kilometer leegte. Aan het andere einde van de straat, waar de cultuurstad begint, rijst de gerestaureerde barokke Kreuzkirche op, die ooit Richard Wagner als koorzanger had.

In zijn oude hart aan de Elbe trekt Dresden naar morgen via eergisteren. Dat geldt voor het kolossale, zeven eeuwen oude Residenzschloss, al staat dat nog in de steigers. Voor de Fürstenzug op een van zijn zijmuren, waar over ruim 100 meter op zo'n 25.000 Meissner porseleinen tegels een stoet Wettinger vorsten te paard door hun geschiedenis trekt. Voor Matthäus Daniel Pöppelmanns aangrenzende Lustgarten met Orangerie, de immense, ook dankzij Balthasar Permosers beeldhouwwerk beroemde, Zwinger. Voor de laat-barokke Hofkirche van Gaetano Chiaveri, het museum Albertinum (met de collectie Neue Meister en de kunstschatten in het Grüne Gewölbe). Voorts ook voor de Brühlsche Terrasse, vernoemd naar de onder August III machtige premier Graf Brühl, en dankzij een ver over de Elbe reikend uitzicht ook wel "het balkon van Europa' geheten. Tot Bohemen kijken lukt er overigens niet, vast ook niet met een Amerikaanse of een op het Leidseplein gescherpte blik.

Leve eergisteren. Dat geldt ook voor de negentiende-eeuwse Semperoper van Gottfried Semper (heropend in 1985) en zijn even fameuze neoclassicistische Sempergalerie, die de (noordelijke) rivierzijde van het Zwingercomplex afsluit. Begin december vorig jaar kon daar, in aanwezigheid van president Richard von Weizsäcker en Saksens premier Kurt Biedenkopf (König Biko, ook wel Kurt der Starke), in een gemoderniseerd en toch ook in zijn precieze historische gedaante hersteld bouwwerk de Galerie Alte Meister weer worden heropend.

Nóg eens heropend, want na een eerdere, in 1960 voltooide, haastige DDR-restauratie, moest de Galerie van de door het personeel gealarmeerde brandweer in 1988 - 30 miljoen vooral Oosteuropese en Oostduitse toeschouwers later - alweer worden ontruimd en gesloten. De totale collectie omvat ruim 2.000 doeken, die tijdelijk naar het Albertinum of het depot moesten. Onbetaalbaar en uniek is de collectie dankzij Italiaanse, Nederlandse, Vlaamse en Duitse meesters, met Rafaels Sixtijnse Madonna, Giorgiones Sluimerende Venus, Rembrandts zelfportret met Saskia naar de gelijkenis van de Verloren Zoon, Rubens' Bathseba en Vermeers Brieflezend meisje als topstukken.

Die zijn vier maanden geleden teruggekeerd naar de Sempergalerie, die intussen een nieuw koperen dak, eigentijdse elektriciteitsleidingen, grotere depots en een modern klimatologisch systeem heeft, terwijl de façade zijn historische luister terugkreeg. Kosten: ruim honderd miljoen mark, waarvan aanvankelijk nog drie miljoen uit de DDR kwam en daarna - sinds 1990 - 98 miljoen uit West-Duitsland.

Weldaad

Het resultaat is volgens de 51-jarige kunsthistoricus Harald Marx, directeur van het in volle glorie heropende Saksische staatsmuseum, "de belangrijkste culturele gebeurtenis sinds de Duitse eenwording'. Marx, die sinds 1966 bij de Galerie werkt, nooit lid van een partij was en misschien mede daarom in 1991 door het personeel als directeur werd gekozen, heeft drie jaar onafgebroken aan de inrichting van zijn museum gewerkt. Zijn kamer ligt aan de zuidelijke kant van de Elbe, ongeveer tegenover de plaats waar Mulisch in 1956 zijn arme Corinth naar het verwoeste Dresden liet kijken.

Voor Marx over de nieuwe Sempergalerie begint wil hij ook eerst even terug naar vroeger. Namelijk om, nog steeds wat verontwaardigd, zijn verhaal te vertellen over de zogeheten "Trophäenkommission' van het zegevierende Rode Leger, die in 1945 praktisch de complete Dresdense schilderijencollectie naar de Sovjet-Unie liet verdwijnen. De officiële DDR-versie wilde dat het daarbij om "de redding van onze kunstwerken door het roemrijke Sovjet-leger' was gegaan. Deze dankbetuiging was in zoverre handig dat wat op georganiseerde roof leek, nu als een soort weldaad werd voorgesteld, zodat de Sovjet-Unie de collectie wellicht ooit zonder gezichtsverlies zou kunnen teruggeven.

En inderdaad: in 1956 kwam een groot deel van dat unieke reddingsgoed dan ook weer terug naar Dresden, wat volgens de toenmalige DDR-premier Otto Grotewohl "een edele daad voor de gehele Duitse cultuur' was. Marx en andere lokale museumdirecteuren zijn echter nog steeds benieuwd waar ruim 500 schilderijen zijn gebleven die in 1956 in de vriendelijke Sovjet-retourvracht ontbraken. “Af en toe duikt zo'n vermist doek ineens op bij Sotheby of op een andere veiling”, zegt hij, “dat hebben we de afgelopen 35 jaar al enkele tientallen keren meegemaakt”.

Marx noemt de inrichting van zijn museum, dat "maar' 700 van de ruim 2.000 beschikbare schilderijen tentoonstelt, "een antwoord uit deze tijd' op de oorspronkelijke museale opvattingen van Gottfried Semper en zijn negentiende-eeuwse tijdgenoten. Dat wil zeggen: waar mogelijk is ook hier alles naar historisch voorbeeld gereconstrueerd. Dat wil ook zeggen: moderne techniek en binnenarchitectuur ondersteunen de gedachte dat er, als vroeger, in één zaal gerust veel schilderijen mogen hangen, dicht naast en boven elkaar.

Dat begint al direct na de entree, die te vinden is onder de noordelijke toegangspoort tot het Zwinger-complex, pal tegenover de de ingang van de Rüstkammer, waar de uitzonderlijk kostbare collectie wapens, harnassen en andere krijgsartikelen van de Wettinger vorsten te zien is. Op de begane grond heeft de Sempergalerie een nieuwe grote, lichte en hoge vestibule gekregen. En een brede houten trap naar boven, waarlangs pompeuze keurvorsten en Dresdense stadsgezichten van Canaletto bij het licht van zware kroonluchters aan witte muren hangen. Terug zijn hier de in de jaren vijftig weggehakte of weggeverfde reliëfs alsook het door plaatselijke specialisten herstelde houtsnijwerk.

Boven wachten dan zes grote zalen, waarvan er één - de Hollandse - helaas altijd kunstlicht nodig heeft, de andere krijgen hun zacht-heldere licht doorgaans via een dikglazen hemel. Die ruimtelijk heel economisch en ook nog traditioneel volgehangen zalen zijn naar school en nationaliteit geordend: Italianen (onder anderen Titiaan, Botticelli, Tintoretto, Correggio en ook weer Canaletto) hangen dicht bijeen tegen een wijnrode stoffen achtergrond.

Nederlanders (Rembrandt, Vermeer, Bol, Hals, Ostade, Avercamp, Flinck - het is maar een greep) en Duitsers (de jonge en oude Holbein, de Dürers, de Cranachs) hangen in met elkaar verbonden "Kabinette' op diepgroen; Fransen (zoals Liotards schone Chocolademeisje uit 1745) en Spanjaarden (Velázquez, El Greco) doen het op zachtgrijs. Brede banken nodigen uit tot zittend-kijken, plechtigheid ontbreekt opmerkelijk, de sfeer is aangenaam ongedwongen.

Op een centrale plek, met dwarsdoorzicht in andere zalen, ligt de koepelzaal. Daar is men dan - zoals de inscriptie zegt - in het Heiligthume der Kunst. Rembrandt en Saskia en Rafaels Sixtijnse Madonna markeren dit fantastische zaalcomplex aan weerskanten. Mijn gids zegt me dat de gekozen flankering van deze ooit van een arme kloosterkerk in Piacenza gekochte serene Rafael door de kenners als "een waagstuk' van directeur Marx wordt gezien. Er hangen aan weerskanten twee drukke doeken van de mij onbekende Italiaan Dosso Dossi (1489-1542), die voor een mooi contrast zorgen.

Bovendien, directeur Harald Marx zei het al: “Onze schilderijen enscèneren zichzelf.” Julius Hübner, een van zijn voorgangers, noemde de Sempergalerie in de (eerste) catalogus van 1856 "een schitterend doel voor kunstpelgrims uit alle landen'. Dat mag deze Marx vandaag met recht herhalen. Sterker nog, het wordt in Dresden steeds méér waar, voor al die dicht samengepakte Saksische cultuurmonumenten aan de Elbe, die opstaan uit hun stenen bruidsbed van 1945. Wie wil gaan kijken zij gewaarschuwd: twee dagen zijn te weinig, de vroegere DDR-interhotels aan die lelijke Prager Strasse zijn trouwens (nog) niet duur.