De modernen hadden inhoud; Docomomo en het lot van 50 jaar oude gebouwen

DOCOMOMO - het woord klinkt als een obscure onderafdeling van een oud Sovjetministerie, maar het gaat om een internationale vereniging die de voortbrengselen van het Nieuwe Bouwen wil inventariseren en behouden. Waarom? “De Moderne Beweging vormt onze wortels,” zegt de voorzitter. In 31 landen wordt het probleem van de moderne gebouwen gevoeld.

Nederlandse DOCOMOMO-werkgroep. Paulusstraat 25 2582 CG Den Haag

DOCOMOMO International Postbus 513 5600 MB Eindhoven.

Beroemdheid is geen garantie voor behoud. Zeker niet als het gaat om de monumenten van het Nieuwe Bouwen. Neem bij voorbeeld het oeuvre van Jan Duiker, misschien wel de grootste Nederlandse Nieuwe Bouwer. Zijn hotel Gooiland in Hilversum en zijn Nirwâna-flat in Den Haag zijn nu opgeknapt, maar zijn Cineac-bioscoop in Amsterdam is nog steeds onherkenbaar verminkt en zijn Openluchtschool in dezelfde stad tocht en lekt. Maar het droevigst stemt zijn sanatorium Zonnestraal in Hilversum dat tegenwoordig voor een deel als ziekenhuis dienst doet en voor een ander deel als pittoreske ruïne. Er zijn de laatste jaren verschillende plannen gesmeed voor de restauratie van Zonnestraal, maar ze zijn allemaal op niets uitgelopen. Of het meest recente plan van A.G. Smallenbroek, waarin het herstel van Zonnestraal gefinancierd wordt uit de opbrengst van 20 op het sanatoriumterrein te bouwen villa's, doorgaat, is nog lang niet zeker.

Voor gebouwen als Zonnestraal is DOCOMOMO opgericht. DOCOMOMO - het woord klinkt als een obscure onderafdeling van een oud Sovjetministerie, maar het is een afkorting die staat voor "international working party for DOcumentation and COnservation of buildings, sites and neighbourhoods of the MOdern MOvement'. Niet alleen de naam is uit de hand gelopen, ook de organisatie zelf. Het begon als een padvindersclub, vertellen de Nederlandse oprichters van DOCOMOMO, Hubert-Jan Henket en Wessel de Jonge. Henket is architect van onder meer het glazen Van Beuningen-De Vriese-paviljoen in Rotterdam en hoogleraar aan de Technische Universiteit van Eindhoven, Wessel de Jonge is architect in Rotterdam en eveneens verbonden aan de Eindhovense universiteit. “Toen we een jaar of vier geleden voor de Rijksdienst Monumentenzorg een onderzoek hadden voltooid naar de restauratie van Zonnestraal, wilden we het daar niet bij laten,” vertelt De Jonge die secretaris van DOCOMOMO is over het ontstaan van de organisatie. “We bedachten toen dat het behoud van vroeg moderne gebouwen zoals Zonnestraal niet alleen een Nederlands probleem was en zochten daarom contact met buitenlandse geestverwanten. We rekenden in het begin op een clubje van vijf landen: Duitsland, de Sovjet-Unie, Nederland, Engeland en Frankrijk.”

Maar aan het eerste DOCOMOMO-congres in 1990 in Eindhoven deden al veertien landen mee, en op het tweede congres in 1992, gehouden in Walter Gropius' Bauhaus-gebouw, het nu gerestaureerde heiligdom van het modernisme in Dessau, was het aantal opgelopen tot 31. Elk land heeft zijn eigen, nationale DOCOMOMO-afdeling. “Kennelijk is het probleem over de hele wereld aan de orde. Het is natuurlijk wel logisch: deze gebouwen zijn nu, na een jaar of vijftig, aan het einde van hun technische levensduur gekomen. De komende jaren zal de vraag zich voordoen wat er met de naoorlogse wijken moet gebeuren. We proberen Monumentenzorg ervan te overtuigen die wijken in kaart te brengen. Over zulke naoorlogse woningbouw wordt vaak negatief gesproken, maar er zit ook veel goeds tussen. Overschie in Rotterdam, bijvoorbeeld, is door Lotte Stam schitterend opgezet, daar moet je niet gaan slopen,” aldus Henket, de voorzitter van DOCOMOMO.

Maar niet alle moderne gebouwen die hun beste tijd hebben gehad, verdienen volgens Henket behoud of herstel. “Restauratie is erg duur en daarom moet je keuzes maken. Ons standpunt is dat in elk land alleen de topstukken moeten worden teruggebracht in de oorspronkelijke staat en voor de eeuwigheid moeten worden bewaard. Daarnaast is er de veel grotere categorie gebouwen die pragmatisch moeten worden gerestaureerd. Dat wil zeggen op een architectuurhistorisch verantwoorde wijze aanpassen aan de eisen van deze tijd. En dan is er nog de categorie gebouwen van minder belang die je zou mogen slopen na ze eerst goed gedocumenteerd te hebben.”

Bergpolderflat

DOCOMOMO is niet rijk. De Technische Universiteit Eindhoven en verschillende ministeries hebben de organisatie in het begin financieel ondersteund. Maar de startsubsidies zijn nu afgelopen en door de stormachtige groei zijn de kosten flink gestegen. De nu vier jaar oude organisatie is dan ook naarstig op zoek naar financiers.

DOCOMOMO brengt een internationaal tijdschrift uit met artikelen over al dan niet bedreigde gebouwen van de Moderne Beweging, organiseert studiedagen en congressen over het behoud en de registratie van de bouwwerken en oefent druk uit op degenen die echt macht hebben. Zo heeft DOCOMOMO-Rusland onlangs een "stappenplan' bij het gemeentebestuur van Moskou ingediend om het uit 1929 stammende Narkomfin-gebouw van Moisej Ginzboerg van de ondergang te redden. Nu is dit hoogtepunt van het Russische constructivisme niet veel meer dan een vochtige ruïne. DOCOMOMO-Finland heeft vergelijkbare plannen gemaakt voor Alvar Aalto's bibliotheek in Viipuri en zelf zijn Henket en De Jonge als adviseurs betrokken bij de verschillende restauratieplannen voor Zonnestraal.

Soms is de druk op de machthebbers vergeefs, zoals bij de Bergpolderflat uit 1934, ontworpen door Brinkman, Van der Vlugt en Van Tijen. Deze eerste galerijflat in Nederland, die op de Rotterdamse monumentenlijst staat, is volgens Henket een topstuk, maar DOCOMOMO heeft niet kunnen voorkomen dat de plattegronden van de woningen bij de nu in gang zijnde renovatie worden gewijzigd. DOCOMOMO's bezwaarschrift tegen de renovatievergunning die B & W van Rotterdam aan de woningbouwvereniging had verleend, werd door de Raad van State afgewezen.

De Jonge: “Je kunt het een lelijk gebouw vinden, maar het is een van de helderste voorbeelden van de denkwijze van het Nieuwe Bouwen. Het is één samenhangend geheel, alles eraan is uitgedacht en doelmatig, tot de laatste schroef. De keuze van het staalskelet dat in vijf weken kon worden opgebouwd werd bij voorbeeld bepaald door de noodzaak van lage huren. Daaraan moet je zo weinig mogelijk veranderen.”

Verschillen

Zonnestraal, de Bergpolderflat, het Schröderhuis, de Van Nellefabriek - in Nederland staat langzamerhand wel vast wat de hoogtepunten van de Moderne Beweging zijn. Maar in landen als Letland, Roemenië en Argentinië is de registratie en documentatie nog maar pas begonnen. Bovendien bleken tijdens het Bauhaus-congres grote verschillen tussen de verschillende landen te bestaan in de definiëring van het begrip Moderne Beweging. “Voor Litouwen eindigt de Moderne Beweging in 1939, met de inval door de Sovjet-Unie. Maar voor de Brazilianen begint het pas in 1945, wanneer Le Corbusier daar voor het eerst zijn gezicht laat zien,” zegt Henket.

“In Duitsland was de Moderne Beweging verbonden met de sociaal-democratie, maar in de Sovjet-Unie met de bolsjewieken en in Italië met het fascisme.” vult De Jonge aan. “En terwijl in Slovenië de Moderne Beweging veel te maken heeft met de Jugendstil, zijn wij zelf bijvoorbeeld erg gericht op het doelmatigheidsdenken van architecten als Duiker en Van Tijen. Tijd en uiterlijk kunnen dus geen maatstaven zijn. We hebben daarom als tijdvak voor "moderniteit' het einde van de negentiende eeuw tot nu gekozen en als criterium het innovatieve karakter van een gebouw. Een gebouw kan sociaal innovatief zijn, zoals de Bergpolderflat in Rotterdam, technisch innovatief, zoals Duikers sanatorium Zonnestraal, of esthetisch innovatief. Het Schröderhuis is een mooi voorbeeld van de laatste categorie. Technisch was het absoluut niet vernieuwend, maar esthetisch gezien was het een revolutie.”

Na het congres in Dessau is een speciale, internationale DOCOMOMO-commissie opgericht om per land te inventariseren welke gebouwen uit de twintigste eeuw van belang zijn. “Want voor je het weet, maak je je druk om de verbouwing van een gebouw, terwijl een kilometer verderop iets van de aardbodem verdwijnt waar je geen weet van hebt”, zegt Henket.

Trapgevels

Wegens de beperking tot de Moderne Beweging is DOCOMOMO al vergeleken met een vereniging die zich inspant voor het behoud van 17de-eeuwse trapgevels, maar de hals-, klok- en lijstgevels uit dezelfde eeuw laat verkommeren. Inderdaad besteedt DOCOMOMO geen aandacht aan traditionalistische gebouwen uit de twintigste eeuw, die vaak evenzeer worden toegetakeld bij renovaties. Wat maakt dat Nieuwe Bouwen toch zo bijzonder? Waarom komt DOCOMOMO wel op voor J.J.P. Ouds Kiefhoek in Rotterdam en niet voor Vreewijk in dezelfde stad, ontworpen door de katholieke traditionalist Granpré Molière?

Henket: “De Moderne Beweging vormt onze wortels, daar komen we vandaan. Ik word gefascineerd door de Modernen, hun denken zit verschrikkelijk goed in elkaar. Ze bouwden vanuit een sociale bewogenheid en al hun beslissingen waren daarmee verbonden. Dat wil overigens niet zeggen dat we onze ogen sluiten voor de fouten die ze hebben gemaakt, zoals de rigoureuze splitsing van functies en eenvormige massaproduktie.”

Anders dan een architect als Rem Koolhaas gelooft Henket dat het Nieuwe Bouwen nog steeds actueel is en betekenis heeft voor de huidige tijd: “Veel van de huidige architectuur is suffig en triest en gebaseerd op een kortstondig effect. Het gaat er nu om een oppervlakkig beeld te leveren dat geschikt is voor de glossy tijdschriften. Maar de inhoud is erg mager. De modernen hadden die wel. Ik heb zelf het vermoeden dat er weer meer behoefte onstaat aan inhoud, aan een gemeenschappelijk doel.”

De Jonge: “Het is natuurlijk niet zo dat nu zonder meer kan worden teruggegrepen op het vooroorlogse modernisme. Voor de modernen was doelmatigheid vooral een sociaal-economisch probleem. Nu zijn de problemen anders maar ze maken het doelmatigheidsdenken nog steeds actueel, bij voorbeeld door ecologische overwegingen.”

Henket: “We leven in een rare tijd. Gebouwen hebben een korte levensduur. De afschrijvingsperiode is 50 jaar, maar de tijd dat het programma van eisen hetzelfde blijft duurt maar 10 jaar. Het resultaat is een soort kapstokarchitectuur, waaraan je steeds andere kleren kunt hangen die je leuk vindt. Dit probleem speelde ook al in de tijd van Zonnestraal. Zonnestraal was een gebouw voor de korte duur. Duiker verwachtte dat tbc binnen afzienbare tijd zou zijn verdwenen en dus was er voor hem geen enkele reden om het voor de eeuwigheid neer te zetten. Daarom is de vraag nu: moet je bij restauratie van Zonnestraal allerlei nieuwe onderhoudsvriendelijke materialen gebruiken en het gebouw geschikt maken voor de eeuwigheid, of moet je het terugbrengen in de oorspronkelijke staat? Wij vinden het laatste. Zonnestraal is niet alleen een beeld, het staat voor een heel gedachtengoed. Dat maakt ons betoog kwetsbaar, maar ook erg actueel.”