De grote vogelredder

Het is voorjaar. Daar hoort geritsel in de struiken bij, het geluid van kleine vogeltjes die uit hun nest zijn gevallen. Meestal worden ze door de katten uit de buurt gepakt. Dan piepen ze verschrikkelijk. Daarom ving ik ze vroeger. Ik was de grote vogelredder. Elk voorjaar vond ik jonge mussen, merels en spreeuwen en nam ze mee naar huis om ze op te voeden. Soms waren ze nog kaal, met alleen wat grappig dons op hun kop en het begin van veren aan hun vlerkjes.

Ik bouwde dan een nestje voor ze, van watten in een klein plastic emmertje. Voeren was niet moeilijk. Ik hoefde maar te tsjirpen en hun vader of moeder na te doen of hun brede bekje ging open. Dan kon ik er nat brood instoppen met een pincet.

De eerste dag ging dat altijd heel goed. De tweede dag ging het altijd al wat minder. De vogeltjes werden dan een beetje loom en hadden niet zoveel trek meer. Ze gaven steeds minder sjoege als ik tsjirpte. De derde dag gingen ze dood. Dan begroef ik ze in de tuin, het grote vogeltjeskerkhof.

Eén keer vond ik een musje dat al aardig oud was. Hij was niet kaal, maar had nog wel een breed bekje en een paar donsveertjes hier en daar. Ik bouwde daarom geen nestje voor hem, maar stopte hem in een teil, met veel gras erin. De teil stond in de schuur en elke dag ging ik er een paar keer naar toe om hem te voeren. Op de derde dag leefde hij nog. Hij bleef goed eten en begon al wat te fladderen.

Op de zevende dag haalde ik hem uit de teil en liet hem door de schuur scharrelen. Hij hopte vrolijk rond, van de fiets op de autoped, en hij maakte al fladderend enkele hoge sprongen. Het zou niet lang meer duren of hij kon vliegen. Mijn oudste broer kwam binnen en zei: “Zo, leeft hij nog?”

“Ja, goed hè”, antwoordde ik. “Hij kan al bijna vliegen.”

“Wat geef je hem eigenlijk te eten?” vroeg mijn broer.

“Brood natuurlijk. Wit en bruin.”

“Dat is niet goed”, zei mijn broer weer. “Zo krijgt hij geen vitaminen.” “Hoe moet ik hem dan vitaminen geven?” vroeg ik.

“Door hem bijvoorbeeld worteltjes te voeren”, antwoordde mijn broer.

Dat klonk makkelijk. Ik ging meteen aan de slag. Ik hakte een winterpeen in kleine stukjes, pakte het musje, deed zijn bekje open en stak er een stuk wortel in. Maar dat bekwam hem niet zo goed. Hij begon raar te schokken. Ik probeerde het stukje er nog uit te halen, maar het was te laat. Het musje stikte. Zo kwam hij toch nog, tussen alle andere spreeuwen, mussen en merels, op het grote vogeltjeskerkhof te liggen.