De geest van de mens is tot alles in staat; Joseph Conrad en de verschrikkelijke waarheid van de inboorlingen

De hoofdpersoon uit Heart of Darkness van Joseph Conrad schrikt van de aanblik van Afrikaanse wilden. Niet omdat hij ze als onmenselijk en vreemd beschouwt, zoals de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe verontwaardigd meent, maar juist omdat hij ziet wat ze met hem gemeen hebben: “Wat je deed huiveren was enkel en alleen de gedachte aan hun menselijkheid - als die van jezelf - de gedachte aan een verre verwantschap van jou met deze wilde en uitgelaten bende.” Hoe vaag is Conrad over zijn bedoelingen met deze roman?

Dit is de enigszins bekorte tekst van een lezing, gehouden op 31 maart j.l. in het kader van het Studium Generale programma Eeuwwende 1900 van de universiteit van Utrecht.

Heart of Darkness, net als de meeste van de overige romans en verhalen van Joseph Conrad zijn verkrijgbaar als Penguin.

Edward W. Said: Culture and Imperialism. Uitgeverij: Chatto & Windus, 444 blz. Prijs: ƒ 65,50

Verhalen vertellen verhalen. Een paar weken geleden berichtte The Times of India over de tragische geschiedenis van Dr Vashisth Narain Singh, een rekenkundig genie en in India een bekende wetenschapper. Drie jaar lang was Singh spoorloos geweest en nu had men hem plotseling gevonden; bewoners van een dorpje in de deelstaat Bihar hadden hem herkend in een verwilderde en vervuilde bedelaar, die hun op straat om aalmoezen vroeg.

Direct nadat Singh gevonden was, nam de staat hem onder zijn hoede: een minister van de deelstaat verkondigde dat de overheid kosten noch moeite zou sparen om hem te laten genezen, aangezien de wiskundige “ons nationaal bezit is”. Men had er al vijftigduizend roepies voor uitgetrokken, maar indien nodig, was er meer beschikbaar.

Het rekenwonder, schreef The Times of India, leed aan een chronische vorm van schizofrenie. Op de vraag van zijn familie waarom hij drie jaar daarvoor plotseling verdwenen was, antwoordde Singh eenvoudig: “Ik miste de trein.”

Maar vóór hij die trein miste, was er veel gebeurd met dr Singh; dat is het andere verhaal. Een neef van hem vertelde aan de verslaggever van de krant dat hij als vijfjarig jongetje al geprobeerd had electriciteit op te wekken. Toen hij later in Patna ging studeren, was er niemand die hem nog iets kon leren.

In 1964 werd het genie van Singh ontdekt door de Amerikaanse professor Kelly, toen de Indiër hem een tot dan toe onbekende vierde oplossing van een mathematisch probleem toonde. Kelly haalde Singh onmiddellijk naar de Verenigde Staten, waar hij een aantal jaren verbonden was aan het Columbia Institute of Mathematics. Sinds zijn terugkeer naar zijn vaderland had hij bij een groot aantal Indiase wetenschappelijke onderzoeksinstituten gewerkt en was hij groter dan zichzelf geworden, een man die zichzelf niet langer toebehoorde, maar die werd beschouwd als "nationaal bezit'.

Wat is er met dr Singh gebeurd? Het verhaal over hem in The Times of India lijkt zo rijk aan betekenissen, dat het raadsel van zijn verdwijning er alleen maar groter door wordt. Wat is het in een man die wiskunde, de abstractste van alle wetenschappen, aan een belangrijk Amerikaans wetenschappelijk instituut doceert, dat hem laat eindigen als een vervuilde bedelaar op het Indiase platteland? We kennen zulke verhalen natuurlijk wel, maar begrijpen is iets anders. Interpretaties en verklaringen dringen zich op: was het aangeboren? Was het Amerika? Was het India? Was het de wiskunde? Was het zijn afkomst?

Beproeving

Ik weet niets van dr Singh, ik weet niet eens hoe het nu met hem gaat, maar zijn verhaal bezit voor mij een merkwaardig soort resonantie. De foto bij het bericht laat een man met een wilde baard zien, liggend in een ziekenhuisbed, met ernaast een bezorgde minister en een meewarig kijkende verpleegster. Dr Singh is verdoofd, heeft zijn ogen gesloten, maar het is duidelijk dat hij niet rustig is. Woede, agressie, vernietigingsdrang en wanhoop zijn bijna voelbaar, terwijl het gezicht in het bed op de foto toch niet veel meer is dan een donkere vlek. Het is ook een beangstigend gezicht, vind ik, misschien omdat de beproeving van dr Singh in zoveel opzichten iets heeft van een dreigende parabel, waarvan de echte betekenis onduidelijk blijft.

Mij doet dat gezicht in het ziekenhuisbed onmiskenbaar denken aan dat van Mr Kurtz; dat afschrikwekkende masker van haat en waanzin, aanschouwd door Marlow aan het einde van zijn reis over de rivier de Kongo in Joseph Conrads Heart of Darkness. In die parabel over een van binnen uitgeholde mens, waarmee Conrad in 1899 het modernisme aankondigde, gaat het weliswaar over de westerse mens (“Heel Europa droeg bij aan de wording van Kurtz”), die in het duistere hart van Afrika ten prooi valt aan de verschrikkingen van zijn eigen ziel, maar de vergelijking van een negentiende-eeuwse vooruitstrevende agent van een handelsmaatschappij in ivoor met een schizofrene Indiase mathematicus in 1993 is volgens mij niet zo vergezocht als hij lijkt. Sterker nog, juist in het geval van Heart of Darkness kan zo'n eigenaardige associatie bevrijdend werken, aangezien de boze discussies die de novelle tot op de dag van vandaag oproept, discussies over west en oost, imperialisme en kolonialisme, representatie en identificatie, en last but not least racisme, Conrads klassieke verhaal min of meer tot een gevangene van zichzelf hebben gemaakt.

Heart of Darkness is tegenwoordig minder beroemd om wat het is, dan om wat het heeft opgeroepen. Het verhaal van de verteller Marlow, die aan boord van een boot op de Thames zijn gezelschap verhaalt hoe hij met een stoomboot de rivier de Congo afzakt om de krankzinnig geworden agent Kurtz op te halen, heeft zich comfortabel in het moderne bewustzijn genesteld. Het is een van die klassieke boeken waaruit mensen kunnen citeren zonder het gelezen te hebben: "Mistah Kurtz - he dead', en natuurlijk Kurtz laatste oordeel over zijn eigen leven: "The horror! The horror!'. Het is een verhaal dat weer veel andere verhalen heeft verteld, in romans en in films. Veel mensen zullen bij het horen van de naam Kurtz het monsterlijk ronde, zwetende hoofd van Marlon Brando voor zich zien, in Francis Ford Coppola's Apocalypse Now, een film die losjes gebaseerd is op Conrads verhaal.

Europese geest

Anderen kennen vooral de woede van de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe, die in een beroemd artikel Heart of Darkness de status van literair meesterwerk ontzegt, vanwege de vermeend racistische blik waarmee de verteller Marlow èn Conrad zelf naar Afrika kijken. Tegenwerpingen met de strekking dat Afrika voor Conrad niet anders dan de achtergrond was, waartegen zich de totale desintegratie van de westerling Kurtz aftekende, worden door Achebe honend van de hand gewezen: “Ziet dan niemand de belachelijke en perverse arrogantie waarmee op deze manier Afrika wordt gereduceerd tot een decor voor de ondergang van één onbeduidende Europese geest?”

Dat artikel van Achebe is belangrijk geweest, het heeft de manier waarop wij tegen Heart of Darkness aankijken voorgoed veranderd, en tegenwoordig kun je niets meer over Conrads novelle lezen zonder dat ook Achebe genoemd wordt; waaraan dan meestal door westerse critici opgelucht wordt toegevoegd dat Achebe op zijn beurt weer is aangevallen door Afrikaanse auteurs, die de nadruk legden op Conrads nietsontziende aanval op het kolonialisme in het boek.

Tot welk een ongemakkelijke posities dergelijke stellingnames kunnen leiden, blijkt uit Culture and Imperialism van de Palestijns-Amerikaanse criticus Edward Said, dat deze maand verscheen. Said plaatst in zijn studie vooral werken uit de Engelse literaire canon stevig in hun negentiende-eeuwse, imperialistische tijd. Het hardnekkige westerse dogma dat literatuur, en eigenlijk alle kunst los van de wereld staat waaruit zij is voortgekomen en dus bezoedeld wordt door politieke of sociologische interpretaties, wordt door Said bestreden, echter zonder de hoon waarmee Achebe Conrad te lijf gaat.

Tegelijkertijd is Said zich tezeer bewust van de onafhankelijke waarde van literatuur om zich bij het kamp van de politiek correcte academici te scharen. In het geval van Heart of Darkness brengt die gespletenheid Said ertoe aan de ene kant de novelle voortdurend te prijzen vanwege de literaire kwaliteiten, anderzijds te benadrukken dat Conrad, hoe kritisch hij ook was, zich niet kon onttrekken aan de dominante imperialistische visie van zijn tijd.

De monsterlijke hebzucht en wreedheid van het kolonialisme kon Conrad heel mooi verbeelden, beweert Said, maar Afrika en Afrikanen een eigen identiteit toeschrijven ging zijn macht te boven: “Uiteindelijk was het publiek waar Conrad voor schreef Europees, en het effect van zijn verhalen was niet het ter discussie stellen, maar het bevestigen van dat feit, en het consolideren van het bewustzijn ervan, zelfs al kwam daarbij, paradoxaal genoeg, zijn eigen ondermijnende scepsis vrij.”

Aangedikt

Al deze discussies gaan volgens mij voorbij aan de essentie van Heart of Darkness, wat niet wil zeggen dat ze het niet waard zijn om gevoerd te worden. Het is misschien zelfs noodzakelijk. Tenslotte handelt de novelle over imperialisme en is ook ten dele het produkt ervan. Vrijwel alle beschreven gebeurtenissen in Heart of Darkness volgen de werkelijkheid; een aantal jaren vóór hij het boek schreef, had Conrad zelf precies dezelfde reis gemaakt als Marlow op een lek stoomschip, een hellevaart die zijn leven voorgoed veranderde en die hem de zee deed opgeven. Het dagboek dat hij tijdens zijn tocht naar de binnenlanden van Afrika bijhield, bevestigt de uitspraak die hij later over Heart of Darkness deed: “Het is ervaring die iets is aangedikt (en maar een klein beetje) vergeleken met de feitelijke gebeurtenis, met het naar mijn mening volledig gerechtvaardigde oogmerk het goed tot het hart en het hoofd van de lezer te laten doordringen.”

Maar dat is niet het hele verhaal: Conrad is ook een schrijver, een symbolist bovendien. Zelfs de grootste bewonderaar van zijn werk kan niet ontkennen dat de duisternis in zijn novelle niet alleen in het hart van Kurtz schuilt, maar ook in het hart van Afrika. De koloniale route die Marlow aflegt over de rivier van het Outer Station via het Central Station naar het Inner Station, is, zoals zoveel critici beweerd hebben, onmiskenbaar een reis naar de diepste krochten van de menselijke natuur.

De Afrikanen die dit innerlijk landschap bevolken zijn literaire symbolen voor de mens zonder beschaving, wezens die ongevormd zijn door enig bewustzijn. Waar Achebe zich zo kwaad over maakt, is zijn besef dat de opvatting over Afrika als een hopeloos continent zonder gezicht in de bijna-eeuw na Heart of Darkness niet verdwenen is, maar in het westen bij iedere nieuwe hongersnood en burgeroorlog aanhangers wint; vandaar dat zijn neiging tot vereenzelviging met de naamloze zwarten die hun pijlen afvuren op Marlows boot zo groot is. Eigenlijk verwijt hij Conrad niet dat hij in zijn koloniale denken een kind van zijn tijd was, maar dat hij dat ook nog van onze tijd is.

Maar Marlow schrikt niet van hen omdat ze anders zijn dan hij, maar omdat ze op hem lijken; tot zijn ontzetting ontdekt hij een verwantschap tussen hemzelf en de primitieve stammen. Wanneer hij zich vanaf de boot geconfronteerd ziet met de dansende en schreeuwende krijgers op de oever van de rivier, beschouwt hij ze eerst als wezensvreemde schepsels, vreemd aan iedere beschaving. “De prehistorische mens vervloekte ons, aanbad ons, verwelkomde ons - wie kon het zeggen? We waren afgesneden van begrip van onze omgeving.”

Maar al gauw ontdekt hij dat de inboorlingen een naakte, verschrikkelijke waarheid vertegenwoordigen: “Nee, zij waren niet onmenselijk. Ja, weten jullie, dat was het ergste - dat vermoeden dat ze niet onmenselijk waren. Het drong maar langzaam tot je door. Ze krijsten en sprongen en dansten in 't rond en trokken afschuwelijke gezichten; maar wat je deed huiveren was enkel en alleen de gedachte aan hun menselijkheid - als die van jezelf - de gedachte aan een verre verwantschap van jou met deze wilde en uitgelaten bende. Afstotelijk. Ja, het was afstotelijk genoeg; maar als je een kerel was zou je jezelf bekennen dat er in jou een zweem van gevoeligheid was voor de gruwelijke eerlijkheid van dat kabaal, een vaag vermoeden dat het een betekenis bevatte die jij - zo ver verwijderd van de nacht der vroegste tijden - kon begrijpen. En waarom niet? De geest van de mens is tot alles in staat - omdat hij alles bevat, het hele verleden zowel als de hele toekomst. Wat was daar nu? Vreugde, angst, verdriet, devotie, heldhaftigheid, razernij - wie kan het zeggen? - maar de waarheid - de waarheid ontdaan van de mantel van de tijd.”

Bliksemschicht

Het is die naakte waarheid waartegen Kurtz niet bestand is gebleken; Marlow realiseert zich dat wanneer hij met zijn verrekijker ontdekt dat de houten bollen voor het huis van Kurtz in werkelijkheid verdroogde mensenhoofden zijn. Maar Kurtz zelf lijkt zijn desintegratie niet te beseffen. Vol van morele zelfgenoegzaamheid overhandigt hij Marlow tijdens een van hun gesprekken het rapport dat hij schreef ten behoeve van de International Society for the Surpression of Savage Customs. Het is een hoogdravend, verlicht rapport, vol "burning noble words', dat echter geen enkel praktisch voorstel bevat. Maar onderaan die zeventien dichtbeschreven bladzijden staat de oplossing van Kurtz' onderbewustzijn gekrabbeld, "als een bliksemschicht aan een heldere hemel': Exterminate all the brutes!

Endlösung

Hoe vaak je Heart of Darkness ook leest, die woorden missen hun uitwerking nooit. Het is een staaltje van adembenemende Conradiaanse ironie dat Kurtz zijn radicale Endlösung vergeten lijkt te zijn, wanneer hij Marlow zijn "pamflet' overhandigt, zoals hij het zelf noemt. Kurtz, zegt Marlow tegen zijn toehoorders, heeft hem meer dan eens gevraagd goed voor het rapport te zorgen, omdat het zijn verdere carrière zou kunnen bevorderen.

Exterminate all the brutes. Die wilde krabbel onderaan het rapport van Kurtz mag dienen als Conrads dodelijke voetnoot bij de idealen van de Verlichting. In de gapende discrepantie tussen Kurtz verheven ideeën over het welzijn van de inheemse volkeren en ordelijk koloniaal bestuur en, anderzijds, de naakte verschrikking van die vier woorden, bevindt zich voor mij de essentie van Conrads novelle. Het is diezelfde stuitende discrepantie die ook nu weer veel kunst beheerst: wanneer de greep van de samenleving op het individu verslapt, wanneer de collectieve identiteit wordt afgeschaft, en de mens op zichzelf wordt teruggeworpen, in Afrika en India, in Joegoslavië en New York, valt bij de meeste mensen de bodem uit hun persoonlijkheid. Wie helemaal alleen staat, zegt Marlow, moet het hebben van "restraint'; zelfbeheersing, terughoudenheid, beperking. Maar zelfs een verlichte, idealistische geest als Kurtz gaat voor de bijl, of, zoals Conrad waarschijnlijk bedoelt, juist een verlichte, idealistische geest als Kurtz.

Dat is een les die ook ruim negentig jaar na het verschijnen van Heart of Darkness geleerd wordt: wie de mens bevrijdt van zijn maatschappelijke remmingen, zal merken dat maar weinig mensen zonder maatschappij kunnen leven. Wie het "ik' afschaft, schept egosten bij uitstek. Wie stelt dat de geschiedenis is afgelopen, beseft kennelijk niet dat iedereen een geschiedenis wil hebben; als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. In de wereld van Conrad kunnen idealisten verbeten haters zijn, anti-racisten racistisch en pacifisten vurig voor "militair ingrijpen' pleiten, zonder dat ze er zelfs maar hun taal voor hoeven aan te passen. En de wereld is inmiddels al zozeer één dat ook een Afrikaan zich rustig met Kurtz kan identificeren.

Het besef dat met Kurtz' gespletenheid wordt uitgedrukt, gaat oneindig veel verder dan de zelfgenoegzame dooddoener dat de mens tot veel slechts in staat is en dat er in ieder van ons wel een racist, verkrachter, moordenaar of wat voor smeerlap dan ook schuilt. Zulke vaststellingen zijn comfortabele bezweringen, anders niet. Voor de gevoelens die Conrad wil blootleggen zijn waarschijnlijk geen woorden.

De schrijver Conrad is een meester in de omtrekkende beweging en hem is vaak genoeg een dolmakende vaagheid verweten, maar hier is het goed dat hij niet onder woorden wil en kan brengen wat hij te zeggen heeft. Het is alleen Kurtz die op het allerlaatste moment in de afgrond van zijn eigen geest durft te kijken. Zijn verslag van wat hij ziet blijft beperkt tot een uitroep van verschrikking: "The horror! The horror!'

Wat ziet Kurtz? Net als Marlow krijgen ook wij het niet te zien. Het is een duisternis, een naamloze verschrikking. Maar aan het einde van Heart of Darkness, wanneer Marlow zijn verhaal besluit, heeft de duisternis zich verplaatst van Afrika naar Londen; en in de inktzwarte roman The Secret Agent (1907) zou Conrad die stad met haar miljoenen mensen verbeelden als "a cruel devourer of the world's light'. Hoe ondoordringbaar die duisternis ook is, hoe vaag en ongrijpbaar, het is Conrad geweest die haar voelbaar gemaakt heeft. En als hij ons iets verteld heeft, is het dat ze diep in onszelf ligt.