Dag m'n lieve Jantje

Alles in de wind. De bekendste kinderversjes van vroeger. Bijeengebracht en ingeleid door C.J. Aarts en M.C. van Etten. Uitg. Bert Bakker, ƒ 27,50.

"Schipper, mag ik overvaren, ja of neen? Moet ik dan een cent betalen, ja of neen?' Met die ene cent kwam je in de jaren vijftig al niet ver meer, en toch is het mogelijk dat dit klassieke kinderversje pas uit die tijd dateert. In ieder geval werd het voor het eerst opgetekend in 1955, in een verzamelbundel met de brave titel Kinderzang en kinderspel. Een kleine veertig jaar later fungeert het als hekkesluiter van de bloemlezing Alles in de wind, De bekendste kinderversjes van vroeger, waarvoor C.J. Aarts en M.C. van Etten honderden versjes (en verzen, waaronder J.J.A. Goeverneurs dertig pagina's beslaande "Reizen en avonturen van Mijnheer Prikkebeen') bijeenbrachten en zoveel mogelijk chronologisch ordenden.

Kinderen hebben er een handje van om teksten naar believen te verhaspelen omdat ze die niet begrijpen of verkeerd hebben verstaan. Zo veranderde ik als kind eigenhandig "Gloria in excelsis deo' in "Gloria in de cel van Theo' en - een meer eigentijds voorbeeld - van John Lennons "(I'm just a) jealous guy' ontstond ooit de diepzinnige variant "(I'm just a) yellow sky'. Ook Aarts en Van Etten, die er naar streefden in hun bundel de oudste versies van bekende kinderliedjes op te nemen, stuitten herhaaldelijk op dit verschijnsel: een "schone vrouw' bleek in de loop der jaren te zijn opgeklommen tot "schooljuffrouw', terwijl de laatste regel van "Torentje, torentje bussekruit' ("Torentje is gebroken') in de vroegst bekende versie, gepubliceerd in 1873, nog luidde "Laat je torentje lopen'.

Behalve een afdeling anonieme kinderversjes bevat Alles in de wind een verzameling kindergedichten waarvan de auteur wel bekend is: van de moralist Van Alphen via de zeker voor zjn tijd uiterst speelse J.J.A. Goeverneur, de ferme Jan Pieter Heije en de tuttige "Tantes' die rond de eeuwwisseling opgang maakten tot ene Zus Schmidt. Deze Zus Schmidt is een prille verschijningsvorm van Annie M.G., en met trots presenteren Aarts en Van Etten hun vondst, de drie onbekende gedichten die zij in 1928, tien jaar voordat ze officieel debuteerde, publiceerde in een jeugdtijdschrift. Hoezeer keurige dames als Rie Cramer in die tijd de toon aangaven blijkt uit regels waarvan je je nauwelijks kunt voorstellen dat Annie ze ooit op papier heeft gekregen: “Kijk eens in het bloementuintje! / Kijk eens wat je ginder ziet! / Kleine Jantje zit te huilen. / Kleine Jantje heeft verdriet!” Maar haar gedicht "De spin' vormt, zoals de samenstellers in hun inleiding opmerken, een voorzichtige aanloop tot het nieuwe (radio- en televisie)tijdperk waarin de latere Spin Sebastiaan thuishoort. En zo markeert het feitelijke debuut van de zeventienjarige Zus Schmidt de scheidslijn tussen vroeger en nu.

Alles in de wind wordt voorafgegaan door een smakelijk geschreven inleiding, waarin Aarts en Van Etten in kort bestek door anderhalve eeuw kinderpoëzie wandelen. Aan de hand daarvan krijgen de geautoriseerde gedichten ook voor niet- of nauwelijks ingewijden (middelbare scholieren!) enig literair-historisch perspectief. Zelfs de zoetelijke damespoëzie uit het begin van deze eeuw heeft door de treffende karakterisering uit de inleiding nog wel iets aardigs.

De afdeling anonieme versjes heeft de samenstellers meer problemen opgeleverd. Vanzelfsprekend was het onmogelijk ze te dateren, de vermelde jaartallen geven aan wanneer de versjes, voor zover Aarts en Van Etten konden nagaan, voor het eerst in druk zijn verschenen. Omdat ze er niet alleen voor gekozen hebben de chronologie te handhaven maar ook opmerkelijke varianten wilden opnemen, moet er veel heen en weer gebladerd worden. Jantje uit "In Den Haag, daar wordt een graaf' droeg "vóór 1856-1871' nog "een jagersmutsje... Met een huzarenpluim' maar geen mandje, zoals in en sinds 1894, en de groet "Dag, m'n lieve Jantje' kon er in die eerste versie ook nog niet af. Het was handiger geweest om van die gedichten waarvan twee of meer versies zijn opgenomen een aparte afdeling te maken, zodat ze onder of naast elkaar gelezen hadden kunnen worden. Helemaal lastig wordt het als versjes zowel in de afdeling anoniem opduiken als bij de bekende dichters, omdat niet duidelijk is wat er eerder was, de kip of het ei: danken we de zeven kikkertjes in een boerensloot nu aan Jan Pieter Heije, die ze in 1845 op schrift stelde, of liet hij zich destijds inspireren door een (nog) niet gepubliceerd versje van onduidelijke herkomst?

In hun streven naar volledigheid zijn Aarts en Van Etten de overzichtelijkheid een beetje uit het oog verloren. Dat is niet onbegrijpelijk maar wel jammer, want hun nijvere gespit naar anonieme kinderversjes en met name de oerversies daarvan dwingt bewondering af. Dat was wel een afzonderlijke bundel waard geweest.