Christus van de Zigeuners

Granada heeft meer dan honderd kerken en in al die kerken staan christusbeelden en Maria's. Het hele jaar staan ze daar achter een hoog hek van ijzer. Bewegingloos en geduldig. Nou ja, het zijn toch maar beelden, hoor ik al zeggen. Dat is natuurlijk zo. Maar je moet wel een hart van steen hebben om geen medelijden met ze te krijgen. Altijd in zo'n schemerige kille kerk...

Maar één keer per jaar, in de week voor Pasen, komen de beelden naar buiten. Ze worden op een stevig plankier gezet en twintig sterke jongens tillen dat op hun schouders. Buiten voor de kerk staan al urenlang mensen te wachten. En dan komt eerst Christus aan het kruis naar buiten, en daarna de Heilige Maagd Maria. Met boven haar een baldakijn en voor haar voeten bloemen en brandende kaarsen. Ze kan bijna niet door de grote deuren. Van de jongens die haar dragen zie je alleen hun schuifelende voeten. Als ze buiten is en de trap af is gedragen, klappen de mensen en wordt het volkslied gespeeld. De processie kan beginnen.

Omdat er zoveel kerken in Granada zijn, zie je die hele week overal in de stad processies langstrekken. Dat gaat de hele nacht door. Kinderen in lange pijen en met hoge puntkappen over hun hoofd lopen mee, een brandende kaars in hun hand. En muziekkorpsen die de treurige saetas spelen, de speciale marsen van de Goede Week. Het is het soort muziek dat je door je buik voelt gaan.

De mooiste processie is die van Sacromonte, de wijk waar van oudsher de Zigeneurs hebben gewoond. Daar dragen ze de "Christus van de Zigeuners' naar boven de berg op, naar de abdij. En ook de Maagd Maria natuurlijk. Sacromonte is een lange smalle weg vol bochten. Wanneer ze uit de stad daar aankomen, is het al lang donker. Heel langzaam komt de stoet vooruit. Want telkens is er iemand die een saeta wil zingen, op een balkon of gewoon op straat. Dan staan Christus en Maria stil en luisteren.

Voor de grotten en de huizen zijn bossen gaspeldoorn neergelegd. Die worden in brand gestoken als de processie eraan komt. En bengaals vuur ook.

Een paar keer onderweg danst Maria. Want die droevige muziek heeft soms opeens iets vrolijks. Bloemen en brandende kaarsen, de maagd en het baldakijn, zwaaien op de maat heen en weer.

Het laatste stuk naar boven is het mooist. Overal tegen de berghellingen branden vuren. Op het plein voor de abdij wordt de laatste saeta gespeeld. Christus gaat het eerst het hek door. Maar Maria blijft nog even. Nog één keer danst ze daar onder de bomen, voordat ze weer een heel jaar in de kerk gaat staan. Als we eindelijk naar huis gaan, wordt het in het oosten al een beetje licht.

Ik heb mensen uit Nederland hiernaar zien kijken, en de tranen biggelden langs hun wangen. Mensen die nooit een voet in een kerk zetten, of het moest zijn als nieuwsgierige toerist.