Vogels kijken

April is het. De maand waarin Nederland zijn bestand aan broedvogels weer op peil brengt. De terugkeer van de tjiftjaf werd al gemeld, de boerenzwaluw is net binnen en de nachtegaal wordt binnen een week verwacht. Het laatst arriveren de karekieten en rietzangers die immers op opgaand riet zijn aangewezen. Hekkesluiter is de koekoek die vaak weer wachten moet tot het nest van karekiet of rietzanger af is.

Enfin, het is een genoegen juist in deze tijd met verrekijker en vogelgids de natuur in te trekken en het is jammer dat steeds meer mensen dat inzicht delen. De Vogelbescherming is uitgegroeid tot een brede volksbeweging met een leger actieve aanhangers dat elk weekend opnieuw te hoop loopt op de zuidpier van IJmuiden of de Knardijk bij de Oostvaardersplassen. Al te gauw laat de Einzelgänger zich door hun vertoon afschrikken. Terwijl hij toch zou moeten inzien dat de meeste vogelaars niet meer doen dan soortenjagen, verwant aan postzegels verzamelen, en dat hij ze moeiteloos de mond zou snoeren met de vraag wat een eclipskleed eigenlijk is.

Gelukkig is makkelijk een facet van vogelstudie te vinden dat niet met tienduizenden hoeft te worden gedeeld, maar toch overzichtelijk is. Weinig aandacht was er tot dusver bijvoorbeeld voor de vraag of het nest van karekiet en rietzanger met het groeiende riet mee omhoog gaat en hoe de verschillen in groeisnelheid tussen de diverse rietstengels worden opgevangen. Het inventariserend onderzoek naar interspecifieke irritatie - welke vogel jaagt welke vogel uit zijn buurt en welke vogel is voor geen enkele vogel bang - is nog niet eens begonnen. Erg nuttig zou ook een vergelijkend onderzoek naar vliegsnelheden zijn. De vliegtuigbouwer/meteoroloog Henk Tennekes beweert dat grote vogels sneller vliegen dan kleine vogels (in De wetten van de vliegkunst, Aramith, 1992) maar veel bewijzen daarvoor heeft hij niet. Veel opgegeven vliegsnelheden blijken te zijn berekend uit de half-empirische vliegtuigformule waarvan zij, in een schitterend voorbeeld van een cirkelredenering, juist de universele geldigheid moeten bewijzen. En de vraag is of de talrijke uitzonderingen de "regel' niet opheffen en of Tennekes niet "zweven' bedoelt als hij "vliegen' schrijft.

Enfin: werk genoeg. Anderzijds is het natuurlijk verkeerd zich zonder verweer door de over-geoutilleerde soortenjagers van de Knardijk te laten dringen. Het ornithologisch botaniseren hééft iets aantrekkelijks en het voordeel van begin april is dat de meeste vogels nog niet door bladeren aan het oog worden onttrokken en dat ze, partner-zoekend of territorium-handhavend, op hun luidruchtigst zijn.

Boeken genoeg die de beginnende vogelaar bij het vogelen terzijde willen staan, maar opvallend hoe weinig aandacht daarin van oudsher geschonken wordt aan het waarnemen zelf: het luisteren en kijken. Met veel geluk vind je een werk dat tenminste het verschil tussen een porro- en een dakkantkijker uitlegt en begrippen als uittreepupil, scherptediepte en beeldhoek behandelt. Maar aan het luisteren wordt nooit een letter besteed. De akoestische pendant van de verrekijker bestaat niet, is de gedachte, dus waar zouden we het over moeten hebben.

Zo blijft verborgen wat precies de grenzen zijn van de gezonde "binaurale akoestische perceptie', het twee-orig horen. Mocht het vogelaars al zijn opgevallen dat zij beter geluidsbronnen lokaliseren in het horizontale vlak dan het vertikale (dat is: beter het azimut dan de elevatie schatten), weinigen zullen weten met hoeveel precisie het azimut is te schatten: tot op een paar graden nauwkeurig. Omdat de schatting van de elevatie (de hoogte) van een geluidsbron belangrijk moeilijker is, heeft het dus zin het hoofd een kwart slag te draaien als de bron van een interessant vogelliedje maar niet in beeld wil komen. Het lijkt erop dat honden de truc wel eens toepassen, maar vogelaars nooit.

Zoals vogelaars welbewust afzien van gehoorversterking. Dat het hoorvermogen met bescheiden middelen geweldig is op te voeren werd aangetoond door ir. J.L. van Soest die in de jaren twintig en dertig de Nederlandse luchtwachtdienst voorzag van hoortoestellen waarmee vijandelijke vliegtuigen konden worden waargenomen die voor het ongewapend oor niet leken te bestaan. De tot paraboloïden vergrote aluminium oorschelpen van Van Soest hadden zoveel weg van ezelsoren dat wel vast staat dat een moderne vogelaar er niet mee gezien wil worden.

Maar zelfs de introductie van het handzame apparaatje dat hierboven is afgebeeld stuit op tastbare weerzin. Het stuk plastic, dat nog geen Nederlandse naam heeft maar in Frankrijk (waar het vooral in jagerswinkels verkocht wordt) een fauvette à lunettes wordt genoemd, ontneemt een verrekijker het dreigende voorkomen dat het vanuit vogeloptiek vaak heeft. Voor zover viel na te gaan is in de vogelliteratuur nooit aandacht besteed aan de waarneming die elke vogelaar kent: dat een niet te veraf gezeten vogel die men tot dusver met het blote oog bekeek bija altijd wegvliegt op het moment dat er de verrekijker op wordt gericht. De firma Pouillot S.A., die de fauvette bedacht, heeft zich gerealiseerd dat het plotseling verschijnen van het dubbele objectief hetzelfde effect heeft als de dagpauwoog die zijn vleugels opent. In de fauvette zijn zoveel ronde openingen aangebracht (voor alle gangbare soorten verrekijker) dat daarvan hoegenaamd geen biologisch signaal meer uitgaat.