Steeds hetzelfde gaat vervelen

Als jonge koloniale onderdaan (in de onbarmhartige zin van het woord) had ik als een van mijn dromen dat iemand, ergens, me een beurs zou geven zodat ik een graad kon behalen aan de universiteit van Oxford.

Ik was nooit ook maar in de buurt van Oxford geweest, en kende niemand die er geweest was. Maar ik had er veel over gelezen - over de Bodleian bibliotheek, over het studentencorps en zijn fantastische debatten (“Deze vergadering bepleit legalisering van de prostitutie”) en over de verstrooide dons. Ik wilde een "blue' winnen - een hoge sport-onderscheiding - voor hockey en cricket, mijn favoriete sporten op school, en ik wilde voorzitter worden van de Oxford Union wat, naar het scheen, de garantie inhield dat ik ofwel gouverneur van mijn vaderland ofwel premier van Engeland zou worden. Dromen kennen nauwelijks grenzen. Maar ze moeten meestal wijken voor de realiteit. Mijn ouders waren veel te arm om me naar Oxford te laten gaan, en ik was op school ook niet zo'n uitblinker dat ik die beurs won.

Maar het leven heeft zijn onverwachte compensaties. Mijn dochter heeft in Oxford gestudeerd. Haar man ook. En nu wonen ze in Oxfordshire om er te herstellen van chronische uitputting door te veel reizen en te veel stress, en om te zien of ik mijn memoires op tijd kan voltooien.

Autobiografische schrijfarbeid brengt je onvermijdelijk in een herkauwende, peinzende stemming, waarin je zoekt naar verklaringen voor alle tegenstrijdigheden die je in het leven tegenkomt, en alle verschillen in de wonderbaarlijke diversiteit die de natuur biedt. Ik kijk uit mijn raam naar het beukenbos waarin het huis zich schuilhoudt, en ik besef dat de winter bijna voorbij is en dat de narcissen zich alweer in de open lucht wagen. Hier op de gematigde breedten, sterft de natuur elk jaar om opnieuw te worden geboren. In de warme streken waar ik ben geboren en getogen duurt het een eeuw voordat een bos gestorven is, terwijl de hergeboorte zich afspeelt onder de aarde en beneden het struikgewas. Dat verschil in tijdschaal zal er wel de oorzaak van zijn dat Europese dichters graag sonnetten schrijven terwijl wij eindeloze epen scheppen, zoals de Ramayana en de Mahabharata. Het verhaal als literair genre kon alleen in koude streken ontstaan. Maar waar de winters lang en vreugdeloos zijn, zoals in Scandinavië en IJsland schreven ze juist weer ellenlange saga's en edda's. Ook het 20 seconden-interview op de televisie vindt zijn oorsprong in het gematigde tijdskader en de korte aandachtsspanne van volkeren die gewend zijn aan korte seizoenen.

Ik zit ook te peinzen over de sfeerverschillen tussen de tropische jungle en het gematigde bos. Ik heb gewandeld in de bossen van het Hartzgebergte, in de bossen rondom Sint-Petersburg, in het Muir-bos bij San Francisco, met zijn imposante sequoia's, en in het nationaal natuurpark van Yosemite, waar reuzensequoia's de redwoods in staatsie naar de kroon steken, maar nooit had de sfeer er iets dreigends, hoewel bekend was dat er grote grizzly-beren rondsjouwden. Hoe anders is het gevoel dat je ondergaat zodra je een kilometer de jungle ingaat in Maleisië, op Sumatra of Kalimantan, in het regenwoud op de hoge bergen van het Filippijnse eiland Mindanao, in het oeroude Singharaja-woud op Sri Lanka (ondanks de verwoestingen van de houthakkers) of beneden de hoogvlakte van Quito, waar de Amazone kracht verzamelt om zich door het Andes-graniet te vreten en een bedding te delven waarin haar water vijfduizend kilometer verder naar de andere kant van het continent kan vloeien. Daar ademt alles een huid-verstrakkende dreiging - in de geluiden tussen het gebladerte, in het knappen van een twijg, in de smoorhete duisternis en in de diepe, vochtige stilte. Een majesteitelijke, geheimzinnige, beangstigende dreiging.

Ik stel de vraag: waarom heeft de natuur al die verschillen geschapen? En altijd is het antwoord...: gewoon, voor haar plezier. Omdat steeds hetzelfde gaat vervelen.