Schip loopt niet aan de grond, maar krabben stijgen op

Onderzoek in de Indische Oceaan met het Nederlandse oceanografisch vaartuig "Tyro' heeft enkele interessante wetenschappelijke noviteiten opgeleverd. Eén ervan betreft de oorzaak van het voorkomen van opmerkelijk sterke op bodemreflekties gelijkende lagen op het echolood van schepen welke zich in het westelijk deel van de Indische Oceaan bevinden. Deze geluids reflekterende lagen brachten stuurlieden vaak in verwarring omdat, op plaatsen waar de bodem zich volgens de zeekaart meer dan een kilometer diep bevond, zich plotseling op het echolood een ondiepte op slechts 80 meter manifesteerde.

Tegen de avond komt deze laag snel naar de oppervlakte waarmee de schipper de indruk krijgt dat hij met zijn schip aan de grond loopt, hetgeen dan, gelukkig, niet het geval bleek te zijn. Menig stuurman heeft hierdoor benauwde uurtjes beleefd. Waarschuwing voor deze misleidende "bodem-echo's' staan sinds de jaren zeventig op de zeekaarten van dit gebied vermeld, maar tot op heden was de oorzaak van dit verwarrende verschijnsel nooit aangetoond.

Tijdens een drietal van de "Tyro'-expedities, welke zich concentreerden op de samenstelling en het funktioneren van het mariene ecosysteem in dit sterk door moesonwinden benvloede gebied, is onderzoek naar dit fenomeen uitgevoerd. Bemonsteringen van deze geluid-reflecterende lagen, met moderne op afstand bediende open en sluitbare trawlnetten, brachten grote hoeveelheden zwemkrabben, gedetermineerd als Charybdis smithii, aan de oppervlakte. Door hun harde pantsers kaatsen de krabben de geluidsignalen van het echolood terug en veroorzaken op het echolood een band die vaak niet van een bodem-echo te onderscheiden is. 's Avonds komen de krabben naar de oppervlakte met als gevolg dat het echolood aangeeft dat het ondieper wordt.

Met deze ontdekking is een oud mysterie van de Indische Oceaan opgelost, echter voor de biologen zijn er tal van nieuwe vragen ontstaan. Overdag bevinden de krabben zich op een diepte van ongeveer 80 meter. Op deze diepte bleek de temperatuur van het water zeer snel af te nemen en ook het zoutgehalte veranderde van waarde. Hierdoor ontstaat een spronglaag waar de dichtheid van het water verandert. Op de spronglaag blijven vermoedelijk allerlei naar beneden zinkende deeltjes afgestorven plankton "drijven'. Dit vormt een voedselbron voor kleine kreeftjes en jonge vis die weer voor de krabben aantrekkelijk voedsel zijn. Hoe dit systeem van de voedselrijke spronglaag precies werkt blijft een interessante vraag voor de toekomst.