Schatten in de mist

Het schaftlokaal van het overslagbedrijf Pakhoed Amsterdam BV aan de Coentunnelweg te Amsterdam is gestoffeerd met eenvoudige tafels en stoelen.

Aan de wand hangen pin-upfoto's en enige bedrijfs- en vakbondsmededelingen. Het raam biedt uitzicht op een mistige kade met wat kranen. Van enige bedrijvigheid valt niets te bespeuren. Toch zal hier de grootste kunstvondst van de eeuw worden geopenbaard. Het persbericht van de zich internationaal schatgraver noemende Gé Victor Brand maakt melding van de vondst van maar liefst 5000 objecten in kalksteengrotten in Uftrungen, Duitsland. Oorlogsbuit uit de Tweede Wereldoorlog die nu zal worden teruggegeven aan de Staat der Nederlanden. Onder de vondst, die verpakt zou zijn in vijftig kisten, bevinden zich maar liefst achttien schilderijen van Rembrandt, veertien Van Dijcks, twaalf van Rubens en vele Vermeers.

Enige scepsis hebben de aanwezige journalisten wel. Noch de Rijksdienst Beeldende Kunst, die over teruggevonden oorlogsbuit gaat, noch het Rijksmuseum, noch de douane is op de hoogte gesteld en 1 april ligt in het verschiet. Maar de kalender van de Linea Mexicana wijst 31 maart aan en dat maakt het onwaarschijnlijk dat we van doen hebben met een 1 aprilgrap. Bovendien zou een professionele practical joker een subtieler persbericht hebben vervaardigd.

Dan verschijnt een zenuwachtig heerschap in de deuropening. “Gé Brand is de naam”, zegt hij, “maar ik heet ook wel Gerbrand Visser. Jou ken ik geloof ik wel en als jullie foto's nemen, dan moet er ook een afdruk naar Pakhoed. Begrepen?” De heer Brand is gekleed in een groen pak en een das waarop een zelfportret van Rembrandt prijkt. Daaroverheen draagt hij een trenchcoat. Zijn bebaard gelaat wordt afgedekt door een borsalino. Zijn zilveren polsband is opgesierd met enig groen stollingsgesteente. Hij monstert het gezelschap vluchtig, int hier en daar een visitekaartje, mompelt dat hij door de aanwezige schimmel op de schilderijen ietwat onwel is geworden en maakt zich vervolgens uit de voeten. “Even wat faxen”. Dit gedrag herhaalt zich enkele malen waarbij hij telkens terugkeert met "nieuwe informatie', waarna hij zich opnieuw verwijdert om nog wat te bellen of te kopiëren. Wanneer het uur U reeds lang verstreken is en het ongeduld van de bezoekers dreigt op te raken, hakt Brand de knoop door. “Ze komen niet”, knarsetandt hij. Die "ze' zijn de experts van de veilinghuizen, van de musea en de colonnes tv-ploegen die present hadden moeten zijn. En zo sjokt een groep van twintig man naar een van de reusachtige loodsen waar we vrijuit zullen mogen kijken en vragen stellen. Ver is het niet en met een trotse armzwaai wijst de heer Brand op zijn vondst, het resultaat van Operation Master Mystery, een door een "Californisch syndicaat' en door "Amerikaanse multinationals en televisiestations' gesponsorde onderneming. Inderdaad, daar op de koude betonnen vloer, achter een touw, staat de schat uitgestald, of naar het zich laat aanzien een fractie daarvan. Twintig tot dertig schilderijen en een uitstalling van evenzoveel houten Mariabeeldjes.

“Zijn er nog vragen?” En voor iemand zijn mond heeft kunnen opendoen volgt er een exposé. Over het meisjesportret dat een echte Vermeer is. Over het zelfportret van Rembrandt, over de Rubensen en Jan Lievensen. Over de expeditie in Duitsland waar hij met zijn vrienden, allen "ex-soldiers', mijngangen heeft opgeblazen, over de staat der Nederlanden die zich de eigenaar had mogen noemen als hij maar was komen opdagen. Over de deskundigen die de authenticiteit hebben vastgesteld. De heer Brand wappert met deurwaardersrapporten, met foto's van zeventiende-eeuwse Hollandse meesters en bezweert het gezelschap dat hier voor tientallen miljoenen opgeslagen ligt. Luchtig hanteert hij zijn paneeltjes van Rubens en ook, na enig zoeken, zijn Van Gogh "uit zijn Nuenense periode'.

De officiële rapporten uit 1985 en 1990 stellen niet veel anders vast dan dat foto's, aanwezig op het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, van schilderijen grote gelijkenis vertonen met foto's die Brand in zijn bezit heeft. De foto's die de schatgraver laat rondgaan tonen inderdaad zeventiende-eeuwse meesters. Ze dragen op de achterzijde het stempel van de Ortskommandantur te Utrecht. Maar juist deze schilderijen zijn helaas op het ogenblik net niet aanwezig. Wie na enig aandringen een Vermeer in handen mag houden ziet met de beste wil van de wereld niets anders dan een achttiende-eeuws meisjesportret op doek. De twee Rubenspanelen vallen bijkans uiteen. Het zijn in de achttiende eeuw geschilderde engeltjes. Wat verder valt te zien varieert van derde- dan wel vierderangs schilderijen of kopieën daarvan, op zijn vroegst uit de achttiende eeuw, en nog wat schilderijen uit de jaren twintig of dertig. Het is moeilijk een reden te bedenken waarom iemand die in een grot of mijnschacht zou willen verbergen. Waar die andere kisten zijn? “Verderop”. “Wilt u de douanepapieren zien? Die liggen tijdelijk op mijn kantoor”. Is er, mijnheer Brand, werkelijk sprake van achttien Rembrandts? “O, dat weet ik niet zo precies. Mijn secretaresse kan natuurlijk een tikfout hebben gemaakt”. Niets wijst op een mogelijke herkomst uit Duitsland. De opmerking van een der aanwezigen dat die Mariabeeldjes je reinste kitsch zijn, treft de heer Brand diep in het hart. Wanneer men zo oordeelt is het ook niet de moeite waard om de andere kisten te openen. “Komt U morgen maar terug. Ik heb nog veel te doen en ik ben niet helemaal in vorm”.

Wanneer het bezoek zich verwijdert blijft op de kade een druk gesticulerende schatzoeker achter, die langzaam opgaat in de mist.