Prijzen geneesmiddelen met 3,5 procent verlaagd

ROTTERDAM, 1 APRIL. De geneesmiddelenbranche wil op 1 juli de prijs van merkartikelen met 3,5 procent verlagen. De prijzen voor merkloze medicijnen gaan met minimaal 3,5 procent omlaag. Daardoor zal naar schatting de stijging van de uitgaven dit jaar zestig miljoen lager uitvallen. In 1994 is een besparing op de kosten met 120 miljoen gulden mogelijk.

Dit blijkt uit het akkoord dat de overkoepelende besturen van farmaceutische industrie, groothandel en apothekers hebben gesloten. De industrie heeft al ingestemd met deze zogeheten "transparantie-overeenkomst'. De achterbannen van de onderhandelaars voor de groothandel en de apothekers moeten zich daar nog over uitspreken.

De prijsverlaging wordt door de drie partijen gezamenlijk opgebracht. De groothandel levert een klein deel van de marge van 11,6 procent op de consumentenprijs in. De apothekers zien af van een deel van de kortingen en bonussen die ze van industrie en groothandel krijgen. Deze vormen, aldus hun woordvoerder, een "substantieel deel van hun inkomsten'.

Het akkoord komt aan de vooravond van de maatregelen die staatssecretaris Simons (volksgezondheid) voorbereidt om de stijging van de uitgaven voor medicijnen te beteugelen. Volgende week neemt het kabinet een beslissing over de voorstellen die hij in de zogeheten "Geneesmiddelenbrief' doet. Naar verwachting zal Simons onder meer de vergoeding schrappen voor de zogeheten "zelfzorgmedicijnen', zoals pijnstillers. Deze kunnen vrij worden verkregen, maar worden vergoed als ze door een arts zijn voorgeschreven. Ook wil hij homeopathische, fysiotherapeutische en antroposofische geneesmiddelen nog maar gedeeltelijk vergoeden. Simons stelt waarschijnlijk verder voor de vergoeding voor de apothekers te verlagen en de marges van de groothandel te verkleinen.

De staatssecretaris vindt het "verheugend' dat nu ook de bedrijfstak erkent dat er nog veel lucht in het systeem zit, zo zegt hij in een eerste reactie op de "transparantie-overeenkomst'. “Het is kennelijk mogelijk in 1994 voor 120 miljoen gulden goedkoper te leveren zonder dat dit het rendement van de bedrijven in gevaar brengt.” Deze besparing, samen met aangeboden verlaging van zestig miljoen gulden in 1993, is volgens Simons echter "volstrekt onvoldoende' om de overschrijdingen van het budget - in 1992 en 1993 samen vermoedelijk zo'n 460 miljoen gulden - te compenseren.

Simons zal het voorstel zorgvuldig bestuderen en "serieus' betrekken bij de Geneesmiddelenbrief, maar hij zet op voorhand al enkele kanttekeningen. Zo betreurt hij het dat er alleen van een generieke korting sprake is. Simons geeft er de voorkeur aan naast een algemene korting vooral dat deel van de medicijnen aan te pakken dat zorgt voor de "dramatische kostenstijging'. Ook is, aldus Simons' woordvoerder, de afspraak van de branche mogelijk in strijd met de kartelbepalingen van de Europese Gemeenschap.

Het is niet de eerste keer dat de geneesmiddelenbranche zelf voorstellen doet voor beperking van de kosten als alternatief voor maatregelen door de overheid. In 1988 sloot zij een akkoord met verzekeraars en artsen toen staatssecretaris Dees (volksgezondheid) de jaarlijkse stijging van de uitgaven met tien procent wilde beteugelen door het in Duitsland succesvolle "ijkprijzenplan' in te voeren. Volgens dit Omni Partijen Akkoord zouden de uitgaven in 1989 en 1990 420 miljoen gulden lager moeten uitvallen. Over het "succes' van het akkoord verschillen de partijen van mening. De ondertekenaars menen dat het akkoord uiteindelijk 266 miljoen gulden heeft opgeleverd, Volksgezondheid komt niet verder dan 171 miljoen gulden.

Het Omni Partijen Akkoord leed door de tegenvallende opbrengst al snel schipbreuk. Simons introduceerde daarop in 1990 een variant op het "ijkprijzenplan', het vergoedingssysteem voor geneesmiddelen VGS. Dat "dempte' de kostenstijging gedeeltelijk, maar bleek onvoldoende om de explosieve stijging van de kosten voor sommige geneesmiddelen te beteugelen. In zijn Geneesmiddelenbrief komt Simons daarom met aanvullende maatregelen. De Europese Commissie had indertijd overigens grote bezwaren tegen het Omni Partijen Akkoord omdat het naar kartelvorming riekte.