OM tegen snelrecht bekennende verdachten

DEN HAAG, 1 APRIL. Het openbaar ministerie (OM) voelt er niets voor om verdachten die schuld bekennen via een eenvoudige en snelle procedure te berechten. Het OM stelt zich met dit standpunt lijnrecht tegenover zijn eigen minister Hirsch Ballin. Hij wil aan de overbelasting van de rechterlijke macht een einde maken door bij een bekentenis - bijna 90 procent van de verdachten geeft het plegen van strafbare feiten toe - de spelregels van strafzaken te versimpelen.

De vijf procureurs-generaal (PG's) - de hoogste vertegenwoordigers van het OM - schrijven in een advies aan de minister dat zijn plannen “een te zware wissel trekken op de verantwoordelijkheid van de politie”. Het OM is bang dat de politie tegenover de verdachten de indruk zal wekken dat als ze maar snel bekennen en daardoor Justitie tijd besparen, dit tot “matiging van de straf” leidt. “Dat zou kunnen leiden tot een niet in het Nederlandse rechtsstelsel passende vorm van plea-bargaining”, een deal met criminelen.

De procureurs-generaal voorzien tevens dat verdachten in de nieuwe procedure gaan “chicaneren”. Tegenover de politie bekennen ze strafbare feiten, dan volgt een aangepaste berechting en telastlegging en vervolgens wordt er tijdens de zitting alsnog ontkend waardoor er weer een nieuwe behandeling nodig is. Het aantal verdachten dat terugkomt op zijn bekentenis bij politie mag niet worden onderschat, schrijven de PG's. Daarom concluderen ze dat toepassing van de door de zogeheten commissie-Moons voorgestelde procedures “geen werkelijke zittingstijd zal besparen”.

Pag.2: "Weinig tijdwinst bij snellere zitting'

Een woordvoerster van het openbaar ministerie wijst erop dat de lange behandeling van een strafzaak voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt doordat dossiers zo'n tachtig procent van de uiteindelijke afhandelingstijd op de plank liggen. Veel tijdwinst met een snellere strafzitting boek je dan ook niet.

Bovendien is het zo dat ook nu al op strafzittingen met bekennende verdachten meestal door rechters wordt “volstaan met het beknopt doornemen van de feiten”. De grootste aanslag op de tijd van de rechterlijke macht wordt volgens het OM dan ook gedaan door de ontkennende verdachten en daar helpen de plannen van de minister niet. De PG's herinneren er bovendien aan dat ook wanneer je je op een strafzitting in plaats van de schuldvraag concentreert op de hoogte van de straf die een verdachte zou moeten krijgen, er toch ook tijdens de behandeling moet worden gelet op tijdrovende zaken als “de aard van het feit en de omstandigheden” waaronder iemand zich heeft misdragen.

Justitie is ook bang dat verwarring kan ontstaan over de vraag welk strafbaar feit een verdachte nu precies heeft bekend. Als hij bij de politie toegeeft iemand met een kruissleutel te hebben geslagen, heeft hij dan bekend zich te hebben schuldig gemaakt aan een eenvoudige mishandeling, openlijke geweldpleging leidend tot letsel of wellicht poging tot doodslag?

De PG's zeggen wel voorstander te zijn van “stroomlijning” van procedures. Als alternatief wordt voorgesteld de maximale straf die een politierechter kan opleggen, te verhogen van zes naar negen maanden. Zo kunnen er meer zaken worden behandeld door de alleensprekende rechter in plaats van de uit drie rechters bestaande meervoudige kamer bij de rechtbank.