Minder longkanker onder meerokende langneuzige honden

Honden met korte neuzen krijgen 2,4 keer zo vaak longkanker door meeroken met hun baas als honden met lange neuzen. De verschillen in neuslengte zijn meer bepalend dan het aantal rokers in het huis van de hond, het aantal pakjes sigaretten dat er wordt gerookt en de tijd dat de hond de frisse lucht verkiest. (American Journal of Epidemiology, 1992, 135, 234-239)

Een rokende baas bezorgt zijn hond een 1,6 keer zo grote kans op longkanker als een niet-rokende baas, maar als de roker dan ook nog een kortneuzige soort kiest wordt het risico voor de hond nog eens ruim tweemaal zo groot.

Dit onderzoek onder 51 honden met longkanker en 83 controlehonden met een andere kanker in de twee Amerikaans staten Illinois en Colorado bevestigt nog eens dat ook meeroken longkanker kan veroorzaken. Honden, en trouwens ook andere huisdieren, zijn door epidemiologen aanbevolen als "proefdieren' met een "waakhondfunctie' omdat ze vrijwillig, goed verzorgd en behandeld worden blootgesteld aan huiselijke risico's. De huisdieren hebben als voordeel dat er minder benvloedende factoren op in werken als op hun bazen en bazinnen. Honden werken bijvoorbeeld niet buitenshuis. Ze zijn dus niet blootgesteld aan gevaarlijke stoffen of omstandigheden op een werkvloer en verblijven het grootste deel van hun vrij korte leven in en om het huis. Veel kankers bij honden lijken biologisch gezien sterk op de kankers bij mensen, hoogstwaarschijnlijk is hetzelfde ontstaansmechanisme in het spel.

Laboratoriumhonden die tweeëneenhalf jaar gedwongen rookten kregen in bijna de helft van de gevallen longkanker. Onder gezelschapshonden is longkanker overigens veel zeldzamer dan onder mensen. Bevolkingsonderzoek heeft uitgewezen dat 4,2 van iedere 100.000 honden longkanker hebben. Onder mensen is de prevalentie veel hoger, in de orde van 100 per 100.000. Het grote verschil komt waarschijnlijk vooral doordat honden zelf niet roken. Meeroken veroorzaakt onder mensen niet veel longkanker maar wel astma en andere luchtwegaandoeningen.

Het is verbazingwekkend dat alleen bij de neuslengte een duidelijke dosis-effectrelatie werd gevonden (hoe langer de neus, hoe lager het risico). Bij het aantal rokers in huis werd geen dosis-effectrelatie gevonden. Eén roker geeft een risicoverhoging van 3,4 keer ten opzichte van geen roker. Maar bij twee of meer rokers daalde het relatieve risico weer tot 1,9. De hoeveelheid gerookte sigaretten rond de hond gaf ook al een flinke verhoging bij minder dan twee pakjes sigaretten per dag (2,5 keer ten opzichte van niet rokers), maar dat risico steeg niet verder bij twee pakjes of meer.

Een voor de hand liggende verklaring is dat de hond de lucht rond meerdere of zwaardere rokers te vies vindt en dan enige afstand bewaart tot zijn medebewoners, hoe zeer dat ook tegen zijn natuur indruist. Die hypothese kon niet worden bevestigd door de verblijftijd buitenshuis mee te wegen. Wellicht hebben veel aan rook blootgestelde honden een nog onbekende strategie om binnenshuis de zwaarst verontreinigde lucht te ontwijken. Bijvoorbeeld door hun neus diep in de bekleding van hun mand te steken en het textiel als luchtfilter te gebruiken.

Teleurstellend voor de honden met lange neuzen is tenslotte dat ze minder longkanker bij meeroken moeten bekopen met wat meer neuskanker.