Langdurig vooraf samenwonen verhoogt kans op echtscheiding

Echtparen die voor het huwelijk langdurig hebben samengewoond, blijken tweemaal zo vaak te scheiden als echtparen die pas na de huwelijksvoltrekking onder een dak gingen wonen. Dit blijkt uit recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

De problematische gevolgen van echtscheiding zijn bekend: kinderen die heen en weer trekken tussen twee ouderlijke woningen, platen- en boekenverzamelingen die moeten worden verdeeld, vriendengroepen die in tweeën uiteenvallen. Hoe dit leed kan worden voorkomen is vooralsnog een open vraag, maar statistische analyse heeft in ieder geval wel aangetoond dat een proefhuwelijk - langdurig samenwonen nog voor men naar het stadhuis gaat - geen goede remedie is.

Deromantisering

Zo'n dertig jaar geleden geloofde iedereen het nog grif: gehuwden zijn gemiddeld gelukkiger dan ongehuwden. In 1965 gaf, aldus het Sociaal en Cultureel Planbureau, zestig procent van de bevolking te kennen dit idee te onderschrijven. In de jaren zeventig en tachtig is dat denkbeeld aan slijtage en deromantisering ten prooi gevallen: nu antwoordt nog maar een minderheid van zo'n 14% met een welgemeend mee eens op deze stelling (Sociaal en Cultureel Rapport, 1992).

Daarbij lijken de feiten de meerderheid van de Nederlanders gelijk te geven. Eind jaren zestig besloten zesduizend echtparen dat ze maar beter alleen (of met een ander) verder konden, in 1985 waren dat er volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek al 33 duizend.

De relatie tussen een afnemend geloof aan het geluk van gehuwden en het stijgende aantal echtscheidingen is overigens minder eenvoudig dan het zich op het eerst gezicht laat aanzien. Tegenover de pessimistische visie dat het toenemende aantal scheidingen een indicatie is van toenemend huwelijksleed, kan men immers de optimistische interpretatie stellen dat het toenemende aantal scheidingen in de eerste plaats het gevolg is van een afnemende tolerantie voor ongeluk: aan het huwelijk worden hoge verwachtingen gesteld en als die niet worden ingelost geven de Nederlanders er steeds meer de voorkeur aan het huwelijk te laten ontbinden.

Wetgeving

Natuurlijk spelen ook andere factoren een rol. De wetgeving is voor gescheiden mensen gunstiger geworden, financieel hebben ze het na de invoering van de Algemene Bijstandswet (1965) beter en gescheidenen worden steeds minder gestigmatiseerd.

Na 1986 is er een daling en later een stabilisatie in het aantal echtscheidingen ingetreden. Sinds dat jaar schommelt het aantal echtscheidingen rond de 28 duizend, zo meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek. Een mogelijke verklaring voor deze stabilisatie is de toegenomen selectiviteit van het huwelijk. Mensen die minder belang hechten aan de onbreekbaarheid van een relatie en die er wat minder traditionele gezinswaarden op na houden zijn tegenwoordig minder geneigd om te trouwen. Een toenemend deel van de relatie-ontbindingen manifesteert zich daardoor niet meer als echtscheiding, maar als het uit elkaar gaan van ongehuwd samenwonenden. Wanneer deze bij de echtscheidingen worden opgeteld blijkt dat er eind jaren tachtig jaarlijks zo'n 50 duizend paren uit elkaar gingen.

Aan de stabilisatie van het echtscheidingscijfer wordt zeker niet bijgedragen door het proefhuwelijk: langdurig samenwonen om pas tot de huwelijkse staat te besluiten als die ervaring gunstig uitvalt. Uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek onlangs heeft verstrekt, blijkt dat mensen die voor hun huwelijk langdurig hebben samengewoond met hun latere huwelijkspartner een ruim twee maal hogere kans op echtscheiding hebben dan mensen die meteen trouwen. Dit verschil laat zich niet verklaren doordat deze groep een andere godsdienst heeft, door een hogere urbanisatiegraad, de aanwezigheid van kinderen of een andere duidelijk aan te wijzen sociale factor.

Reparatiehuwelijk

Dat gescheiden mensen soms ook weer hertrouwen doet aan de betekenis van deze ontdekking maar weinig af. In 1991 traden weliswaar 15.300 gescheiden mannen en 14.600 gescheiden vrouwen weer in het huwelijk, maar slechts 499 mannen en 499 vrouwen deden dat met de partner waar ze reeds eerder mee getrouwd waren. Veel meer dan een druppel op een gloeiende plaat zijn deze reparatiehuwelijken dus niet.

Voor de rechter