"Kwetsende' kritiek op onderwijsbeleid PvdA

UTRECHT, 1 APRIL. Heeft het onderwijs de sociale ongelijkheid verminderd? “Ik denk van wel”, luidde gisteren het antwoord van minister Ritzen (onderwijs). “Ook al weten we het niet zeker. Maar zelfs als we zeker wisten dat het nauwelijks zin had, dan nog zou het onze sociaaldemocratische plicht zijn om voor de zwakkeren extra onderwijsmiddelen in te zetten.”

Ritzen sprak gisteren op een studiemiddag van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid, over het boek Een school om te kiezen van de journalist H. Wansink. In dat boek, geschreven in opdracht van de stichting, betoogt Wansink dat het onderwijs ondanks jarenlang beleid de sociale verschillen niet heeft verkleind. De vele miljarden die aan achterstandsbeleid zijn besteed zijn grotendeels verspild, zei hij. Hij stelt voor het onderwijs veel marktgerichter te maken, waarbij het verwerven van beroepskwalificaties centraal staat.

Aarzelend komt nu binnen de PvdA de discussie over dit onderwerp op gang. Met de fundamentele aanval van Wansink bleken de aanwezige PvdA-politici gisteren echter weinig gelukkig, juist nu er een nieuwe bezuinigingsronde aankomt. PvdA-minister Ritzen (onderwijs) liet weten dat kritiek op zijn onderwijsbeleid hem best is, maar dat iedereen moet beseffen dat “kanttekeningen bij het beleid onbedoeld voeding kunnen geven aan gedachten in de maatschappij om het onderwijs te verminderen”. Onderwijsspecialiste voor de PvdA in de Tweede Kamer T. Netelenbos vond de kritiek op de uitgangspunten van de onderwijspolitiek van de PvdA zelfs “nogal kwetsend” voor de sociaaldemocratische denkers over het onderwijs.

Ritzen wees erop dat uit cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau blijkt dat talentvolle kinderen van ongeschoolde arbeiders weliswaar nog altijd minder kans hebben om doorverwezen te worden naar HAVO of VWO dan begaafde kinderen uit hogere sociale klassen, maar dat voor alle andere sociale klassen talentvolle kinderen in gelijke mate worden doorverwezen naar de hoogste onderwijsvormen. Hij zei verder dat de groep van kansarmen “steeds hardnekkiger” wordt, omdat binnen die groep telkens de minst kansarmen het meest profiteren van stimuleringsmaatregelen. Dat ondanks deze voortdurende afroming van het talent uit de laagste sociale klassen de onderwijsprestaties niet afnemen, is volgens Ritzen dus zelfs een succes te noemen.

De onderwijskundige J. Dronkers betoogde dat er binnen het onderwijs wel degelijk grotere sociale gelijkheid is ontstaan, maar dat deze eerder veroorzaakt is door uitbreiding van de onderwijsdeelname in het algemeen dan door een gericht beleid.