"Kent u Poesjkin?'

“Kent u Poesjkin?”, deze vraag vuurde een Russische leerling van dertien jaar in Petersburg op mij af nadat ik enkele lessen Latijn had bijgewoond. De vragen waren van het goedmoedige soort dat men van dertienjarigen mag verwachten: “Vindt u Russisch een moeilijke taal?” ...“Houdt u meer van Moskou of van Petersburg?” De klas glunderde bij mijn liefdesbetuiging aan Sankt-Peterburg. School 387, waar het toneeltje zich afspeelde, ligt in een deel van de stad waarbij vergeleken de Bijlmermeer het toonbeeld van menselijke maatvoering is. Niets wijst erop dat de leerlingen van school 387 sociaal bevoorrecht zijn. Die omstandigheid maakte de vraag “Kent u Poesjkin?” des te raker.

Ik hoor Nederlandse leerlingen van die leeftijd nog niet een buitenlander aftasten met de vraag: “Kent u Vondel?” (of Bilderdijk, Multatuli of Couperus). Ik haastte mij te zeggen dat ik Poesjkin wel degelijk kende, via vertalingen. De knaap glom van genoegen omdat de vreemdeling vertrouwd was met "zijn' literatuur. Het ijs was gebroken toen ook de andere Russische klassieken in de geestelijke bagage van de bezoeker bleken te zitten.

Ik kon het niet laten de Russische pupil de les te lezen: “Eigenlijk stel je mij wel een rare vraag. Waarom zou ik als Nederlander jullie schrijvers moeten kennen? Jullie zullen wel geen Nederlandse auteur kunnen noemen.” Uit spijt over mijn terechtwijzing voerde ik een stukje nationale trots op: goed, Nederlandse schrijvers kennen jullie niet, maar misschien weet iemand wel de naam van een Nederlandse schilder. Uit alle hoeken van de klas vlogen de namen mij toe: Vermeer, Rembrandt, Rubens en Van Gogh. Zo'n rijke oogst is bij Nederlandse leeftijdgenoten niet eens te verwachten.

“Kent u Poesjkin?”. Als sleutelvraag is “Aimez-vous Brahms?” er niets bij: zij ontsluit een fundamenteel verschil in opvoedingsidealen. Waarom is het in Nederland niet (meer) bon ton geletterd te zijn? Russische leerlingen daarentegen zijn, zoals scholieren in menig ander buitenland, van jongs af aan vertrouwd gemaakt met de gedachte dat literatuur de persoonlijke en nationale identiteit uitmaakt. Over de methoden van de literatuurlessen hoeven geen illusies te bestaan. Ze zijn formeel: de docent stelt eenvoudig vast dat een schrijver als mooi geldt en illustreert de reputatie met uitgelezen passages. De leerlingen moeten zich stukken eigen maken door ze uit het hoofd te leren, een praktijk die in ons land haast als geestelijke wreedheid wordt beschouwd. Maar zo worden het wel brokken literatuur bezit voor het leven: een Rus citeert, parafraseert, varieert en geniet van allusies. Nederlanders kunnen alleen met Twee emmertjes water halen de nationale cultuur vertegenwoordigen. Dat blijkt bijvoorbeeld als ze voor het voetlicht moeten komen op culturele avonden van internationale congressen. Dan is het een echt geluk dat buitenlanders geen Nederlands verstaan.

Zulke vertoningen leggen bloot dat ons onderwijs zich schaamt formele kennis van cultuur en literatuur bij te brengen: de storm die opstak toen een commissie Neerlandici een flexibele canon wilde voorschrijven, sprak boekdelen. Het was toch ongehoord om leerlingen te dwingen iets mooi te vinden? Scholieren worden geacht zelf te ontdekken. De school moet een klimaat creëren waarin hun kritische vermogens kunnen uitbotten.

Deze vrijblijvendheid wordt afgedekt met een onderwijsfilosofie waarin de vaardigheid het hoogste doel is. De leerling moet van alles kunnen: discussiëren, kritisch denken, analyseren en een ei bakken. Het onvermogen tot deze laatste handeling geldt op het Leidse gymnasium als het doorslaggevende argument voor het vak verzorging, getuige het portret van dit eerbiedwaardig instituut onlangs in deze krant. Het schoolvak geschiedenis kiest voor het ontwikkelen van "structuurbegrippen': alleen de gammelheid van het woord doet het ergste vrezen. De voorgeschreven kennisinhoud verschraalt het cultuurvak tot historische maatschappijleer.

Zal de tweede fase van het voortgezet onderwijs de mankementen van de "junior high school' repareren? Bij alle euforie onder onderwijspolitici over de profilering van de bovenbouw is er reden tot achterdocht. Weer werpt het vaardighedenjargon rookgordijnen op. Leerlingen zullen zoveel ontroerende dingen kunnen: zelfstandig kunnen werken en als paradepaardje van voorbereiding op het tertiaire onderwijs geldt het kunnen volgen van hoorcolleges: de primitiefste onderwijsvorm wordt verheven tot het symbool van de vernieuwing en kwaliteitsverbetering. Mijn sceptische vraag is: moeten die veelzijdig vaardige scholieren ook iets weten? Moeten zij dan niet tenminste de Europese cultuurgeschiedenis en de klassieken van hun eigen literatuur kennen?