Hulp voor zwakke broeders

"Meester, het lampje gaat niet branden'', roept een van de jongens uit 3B, in de les mechanische techniek.

Natuurkundeleraar H. Coolen komt aangelopen, werpt een blik op de eenvoudige schakeling en geeft aanwijzingen. En ja hoor, het lampje brandt. Jongens trots, meester tevreden. De natuurkundeles op de Technische School Don Bosco in Etten-Leur is vooral praktijkles. Theorie is voor deze twaalf leerlingen die het individueel beroepsonderwijs volgen vaak een kwelling. ""Het zijn de zwakke broeders'', legt Coolen uit, ""lezen is voor sommigen al moeilijk genoeg, en als ze dan ook nog vragen moeten beantwoorden raken ze het spoor helemaal bijster.''

Al bijna twintig jaar geeft H. Coolen natuurkunde aan "i-leerlingen', scholieren voor wie het reguliere Voorbereidend Beroepsonderwijs (voorheen LBO) te hoog gegrepen is. En dat doet hij met hart en ziel. Zijn collega's in den lande willen nog wel eens klagen dat het zo moeilijk is i-leerlingen bij de les te houden. Zij zien als een berg op tegen de basisvorming, die met ingang van het komend schooljaar op alle scholen voor voortgezet onderwijs wordt ingevoerd. Veel te hoog niveau, roepen ze in koor en nogal wat scholen hebben al ontheffingen aangevraagd voor hun i-leerlingen. Natuurkundeleraar Coolen is het daar niet mee eens: ""Als er één vak is dat je kunt laten zièn en dat leerlingen zelf kunnen doen, dan is het wel natuurkunde.'' Hij ziet het juist als een uitdaging om de lessen zo praktisch en aantrekkelijk te maken dat ook zijn leerlingen aan het eind van de basisvorming de "kerndoelen' in hun zak hebben.

Het bedenken van praktische natuurkundelessen voor i-leerlingen is een specialiteit van Coolen. Om zijn kennis en ervaring, maar vooral ook zijn enthousiasme door te geven aan vakgenoten is hij ingehuurd door het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) te Amsterdam. Het APS, een instituut voor onderwijsverbetering, heeft een belangrijke begeleidende taak bij de invoering van de basisvorming op de werkvloer. Voor de studiedagen en conferenties maakt het instituut gebruik van "kaderdocenten', leraren die uitblinken in hun vak.

Eén dag per week verruilt Coolen het leslokaal in Etten-Leur voor een kantoor in Buitenveldert. Een geheel nieuwe ervaring. Van de acht lesuren die hij op maandag achter elkaar draait is hij minder moe dan van die dag op kantoor, bekent hij. ""Wat heb ik nou eigenlijk de hele dag gedaan, vraag ik me af als ik 's avonds terugrijd naar Brabant.'' Het werk voor de APS brengt afwisseling in het leraarsbestaan vindt Coolen. ""Samen met vakgenoten conferenties organiseren en optreden voor collega-leraren is reuze spannend. Het verruimt je blik en het is goed om eens buiten het kleine wereldje van je klaslokaal te treden. Indirect hebben mijn leerlingen er ook profijt van, want ik blijf wakker op deze manier.''

H. Coolen is een leraar die een natuurlijk gezag geniet bij zijn leerlingen en precies ziet wat ze nodig hebben om zijn vak leuk te vinden. ""Toen ik begon was het allemaal veel te theoretisch en veel te saai'', herinnert hij zich. ""Ik zag dat ze er de brui aan gaven. Het moest anders. Een keer per maand ging ik praktikum met ze doen, en ik merkte dat ze daarvan smulden. Ze werden nieuwsgierig en bleven na de les nog even hangen. Langzamerhand heb ik het aantal proeven uitgebouwd.'' Halverwege de jaren tachtig werd Don Bosco een van de zes proefscholen waar met extra subsidie nieuwe, op de praktijk gerichte natuurkundelessen voor i-leerlingen ontwikkeld konden worden. ""Het is nog een heel gepuzzel om goede proeven te bedenken'', zegt docent Coolen. ""Ze mogen niet te ingewikkeld maar ook niet te kinderachtig zijn. Ik zit thuis op zolder eindeloos met m'n spulletjes te knutselen en er de juiste teksten bij te bedenken. Praktikum doen kost tijd en energie, zeker als je het goed wilt organiseren, maar je krijgt je winst.''

Glunderend loopt Coolen naar de "prijzenkast' in zijn lokaal en wijst op allerlei objecten die "zijn' jongens zelf hebben gemaakt. Wie de opdrachten van meester Coolen het leukste of het mooiste uitvoert verdient een ereplaats in de kast. Als huiswerk moesten ze zelf een luidspreker maken. Coolen had voor elke leerling een bouwpakketje van draadjes en een plastic trechter samengesteld, het basismateriaal waarmee ze thuis aan de slag moesten. En inderdaad, uit de deksel van de schoenendoos, beschilderd met een palmboom en een tropische zandstrand, komt muziek. Hij won een plaatsje in de prijzenkast. Net zoals het Michelinmannetje met de knipperende oogjes dat al eerder in de prijzen viel toen het hoofdstuk knipperlichten aan de orde was. ""De kunst is dat je de opdrachten zo maakt dat deze jongens het idee hebben: dit lukt mij. Want dat versterkt hun gevoel van eigenwaarde.''

Van collega's hoort Coolen vaak dezelfde argumenten tegen praktika: het wordt een rotzooitje en de leerlingen ruimen niks op. Maar eerlijk gezegd denkt hij dat ze zelf bang zijn om in de klas iets nieuws te gaan doen. ""Daarom vertel ik op conferenties geen theoretisch verhaal, maar gaan we badzout maken. Ik blijf zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid, als zij het gevoel hebben dat ze het de volgende dag zelf in de klas kunnen gebruiken dan is het goed.''

Tot hoever die autonomie van het kunstwerk kan gaan, is een vraag waar menig kunstcommissie zich het hoofd over breekt. Moet het werk "een voor iedereen duidelijk verhaal vertellen en meteen geaccepteerd' kunnen worden? Of gaat het vooral om de confrontatie met de beeldtaal van de kunstenaar?