Hoogachtend, de neef van Tsjaikowski

Voor in ons land iemand van de "practical joke' had gehoord werd dit soort humor al intensief beoefend onder de naam 1 april grap.

Op deze datum, nu 421 jaar geleden, namen onze Watergeuzen Den Briel in, voor de landvoogd Alva de eerste onaangename verrassing waarna er nog veel zouden volgen. Wat de een onaangenaam verrast, brengt de ander aan het lachen. Zo is het niet alleen op 1 april maar alle dagen van het jaar. Het verschil is dat we op 1 april het gewoonterecht hebben om ons, onder de dekmantel van de humor, enige wreedheid te veroorloven, zoals gelovigen carnaval gebruiken om achter hun mombakkes een loopje met een of meer van de Tien Geboden te nemen. Maar humor of geen humor, 1 april blijft een dag van wreedheid, omdat de grap die aan deze datum is verbonden voortkomt uit misbruik van vertrouwen, gebouwd is op het niets vermoeden, bestaat uit exploitatie van onschuld. Het slachtoffer gelooft in iets dat er niet is, denkt dat de boterham bestrooid is met suiker maar het is soda, en maakt dan door zijn ontdekking van het bedrog - te laat - de bedrieger en de omstanders aan het lachen.

Ook wreedheid is er in soorten en kwaliteiten; plat, perfide, stom, vernuftig. Er is een boek, The Complete Practical Joker, waarin een keur van deze humor-van-de-daad verzameld is; bijna vierhonderd pagina's bloemlezing die aantoont hoeveel tijd en energie de mensen ervoor over hebben om, gedekt door de humor, vrienden en vijanden te grazen te nemen. De vernuftigste grap staat er niet in. Ik heb dit verhaal al twee of drie keer opgeschreven, maar zoals een schilderij af en toe moet worden schoongemaakt en het beeldje op de schoorsteen afgestoft, zo moet een goed verhaal van tijd tot tijd opnieuw worden verteld. Dit is de derde of vierde keer.

Het speelt in de dagen dat Johan Winkler hoofdredacteur van Vrij Nederland was. Winkler was een goed mens; verdraagzaam, vriendelijk, verstandig, er prijs op stellend ieder het zijne te geven. In zijn weekblad verschijnt nu een artikel waarin de lof gezongen wordt van Tsjaikowski: begaafd componist, belangwekkend leven, en met maar één klein gebrek, een lichte neiging tot kleptomanie. Als dit nummer van VN een dag of drie in de winkel ligt, krijgt Winkler een brief. “Het zij mij vergund, u de grootst mogelijke complimenten te maken voor dit voortreffelijke artikel. Slechts één kleinigheid, een misvatting die gemakkelijk kan worden rechtgezet. Mijn oom had geen enkele neiging tot kleptomanie. Integendeel, als iemand het verschil tussen mijn en dijn kende was hij het wel. Hoogachtend, de neef van Tsjaikowski.”

Winkler leest de brief, denkt "een gek' en gaat over tot de orde van de dag. Niet lang daarna gaat de telefoon.

“U spreekt met de geneesheer-directeur van Groot Batelaar. Hebt u een brief gekregen van iemand die zich de neef van Tsjaikowski noemt?”

“Ja, die ligt hier nog voor me.”

“Welnu meneer Winkler. Deze man is een patiënt van ons. En nu wil ik u een ongebruikelijk verzoek doen. Ik weet wel dat het moeilijk is maar: drukt u die brief af. Dat zal onze therapie een ongelofelijke stap verder brengen.”

Winkler aarzelt, laat zijn menselijkheid prevaleren en drukt in het volgende nummer de brief af, klein weggemoffeld maar toch. Nauwelijks ligt dit nummer in de bus of daar gaat zijn telefoon: de geneesheer-directeur van Groot Batelaar.

“Meneer Winkler! Dank, dank! Onze hele staf is u buitengewoon erkentelijk. Maar nog één ding. We weten wel dat het veel van u gevraagd is - tja, ik weet niet hoe ik het zeggen moet.”

“Wat dokter?”

“Ja, onze patiënt is er wel van opgeknapt, maar nu wil hij een honorarium voor die brief. Vijf gulden. Als u nu vijf gulden gireert naar Groot Batelaar ten name van de neef van Tsjaikowski, dan girereren wij vijf gulden op uw rekening. En, meneer Winkler, dat betekent een ongelofelijke bijdrage tot de therapie.”

Winkler laat vijf gulden gireren naar de neef van Tsjaikowski, Groot Batelaar. Nauwelijks heeft hij de opdracht laten uitvoeren, of weer de telefoon. De geneesheer-directeur, zijn stem klinkt alarmerend.

“Meneer Winkler! Slecht nieuws! Onze patiënt is ontsnapt. Alles wijst erop dat hij op weg naar u is om zijn vijf guldens op te eisen. Voorzichtig! Hij is gevaarlijk en obstinaat!”

Winkler barricadeert zich en wacht af. Uren verstrijken, hij wil niet naar buiten. Daar gaat de telefoon!

“Meneer Winkler. U spreekt met de geneesheer-directeur van de Valerius Kliniek. Dat waren bange uren hè? Maar ik heb goed nieuws voor u. We waren gewaarschuwd door Groot Batelaar en onze verplegers hebben de man gevat, op het Centraal Station. Hij was wel degelijk op weg naar u toe. We houden hem nu hier in bedwang maar soms is hij zo opgewonden dat we voor zijn leven vrezen. En u kunt ons helpen.”

“Hoe?”

“Welnu meneer Winkler. Ik aarzel het u te vragen maar het is niet anders. Onze patiënt eist honderd zilveren guldens in baar geld, door u persoonlijk af te leveren.”

Winkler aarzelt, de geneesheer dringt nog wat aan, Winkler zwicht, laat honderd guldens uit de kas halen en stapt in een taxi.

Dan gaat de telefoon in de Valerius Kliniek. “Ja, hier de geneesheer-directeur Groot Batelaar. Patiënt ontsnapt! En ik moet u waarschuwen, collega, want wij hier hebben de stellige overtuiging dat hij op weg naar u is.”

“Wat?”

“Ja, hij heeft zich in z'n hoofd gezet dat hij Winkler heet en dat hij hoofdredacteur van Vrij Nederland is en dat hij honderd zilveren guldens moet afdragen aan de neef van Tsjaikowski die bij u verpleegd wordt.”

“Sterk staaltje.”

De Valerius Kliniek wordt in staat van paraatheid gebracht. Weldra verschijnt een taxi. Winkler stapt uit, verklaart wie hij is en wat hij komt doen en wordt meteen opgesloten.

De auteur van deze grap is Dick Sternheim, jaren geleden gestorven. Ik heb hem betrekkelijk goed gekend en daardoor weet ik hoe dit drama van praktische humor tot stand is gekomen. Natuurlijk, zei Dick Sternheim, heb ik die hele intrige niet in één keer bedacht. Het is eenvoudig begonnen: met dat eerste briefje. Maar Winkler was zo aardig, zo telkens weer bereid tot het goede dat ik wel verder moest. Winkler heeft me gedwongen.

De moraal ligt zo dicht voor de hand dat deze ware vertelling hier wordt besloten.