Egypte heeft uitzicht op eindeloze burgeroorlog

KAIRO, 1 APRIL. Met het geweer in de aanslag turen zenuwachtige politieagenten naar de inzittenden van de eindeloze stroom auto's die door de straten van de overvolle Egyptische hoofdstad spoelt. Ze speuren naar moslim-extremisten, die deze reusachtige metropool met steeds gedurfder bomaanslagen terroriseren. Bij de ingang van de grote hotels vragen veiligheidsfunctionarissen sommige hotelgasten maar vaker Egyptenaren hun tassen te openen. De angst heeft heel merkbaar bezit genomen van de Egyptische hoofdstad sedert doden en gewonden zijn gevallen bij bomaanslagen op een toeristen-café aan het Tahrir-plein, op politieposten en zelfs in de grafkamer van de beroemde Chephren-piramide in een buitenwijk van Kairo.

Iedereen praat er over en een taxi-chauffeur die de moslim-extremisten die uit naam van Allah het toerisme naar Egypte de oorlog hebben verklaard “crazy men” noemde, drukte de machteloze woede uit van veel Egyptenaren. “Ik ben een gelovige moslim”, zei hij. “Onze religie is tolerant. Uit naam van de islam toeristen vermoorden is ketterij. Ons inkomen gaat eraan.”

Ondanks het keiharde offensief van de veiligheidspolitie tegen de brandhaardem van het fundamentalisme in Opper-Egypte, Aswan, Assiut en Dairut, en ook in de doodarme Imbaba-wijk in Kairo, nemen de aanslagen in intensiteit en gedurfdheid toe. Ze zijn thans zo frequent dat kan worden gesproken van een stelselmatige ondergraving van de pijlers waarop het regime van president Hosni Mubarak rust. Het fundamentalistische offensief heeft aangrijpingspunten in de welbewust begonnen islamisering van de Egyptische samenleving onder president Anwar Sadat. Deze Egyptische leider maakte deze keus heel overwogen, als een drukmiddel tegen de nasseristen en andere linkse groeperingen die zijn binnen- en buitenlandse politiek (vrede met Israel, oriëntatie op de VS) afwezen.

De moord op Sadat in 1981 door een moslim-fundamentalistische cel in het leger is het vertrekpunt van de huidige golf van islamitisch geïnspireerd terrorisme die over Egypte gaat. Heel goed ingevoerde Westerse waarnemers zijn zeer bezorgd. Zij zeggen dat “de geest van de islam uit de fles is en er ook wel niet meer in zal zijn te krijgen”. Ruim een decennium hebben radio en tv het nog voor meer dan vijftig procent ongeletterde Egyptische volk met de islamitische boodschap overspoeld. Weliswaar niet op de gewelddadige golflengte van het fundamentalisme, maar toch zo krachtig en indringend dat er volgens een waarnemer een “sfeer van religieus obscurantisme” is ontstaan. De aardbeving die Kairo vorig jaar schokte werd door de sjeiks in de moskeeën uitgelegd als een goddelijke straf voor het wereldse karakter van het bewind van president Mubarak. Uit boetedoening gingen zelfs academisch gevormde vrouwen die daarvan eerst niets wilden weten de hejab, haarbedekking, dragen.

Jarenlange godsdienstige indoctrinatie op de scholen door het sterk fundamentalistisch georiënteerde onderwijzerskorps is doorgefilterd naar de universiteiten en naar de belangrijkste beroepsorganisaties die in handen van aanhangers van het fundamentalisme zijn gevallen. Op sommige scholen brengen de leerlingen bij het begin van de lesuren niet alleen de groet aan de Egyptische maar ook aan de Saoedische vlag omdat de naam van God, Allah, erop prijkt.

De kopten-leider dr. Hanna Milad en sjeik Mamoun el-Hodiby, de voorman van de onder zware druk van het regime staande Moslimbroederschap, geloven dat een islamitische partij bij volledig vrije verkiezingen als sterkste politieke beweging te voorschijn zou komen. “De stichting van een islamitische staat, met de shari'a (islamistische wet) als grondwet, is een niet te stuiten ontwikkeling”, zegt sjeik Mamoun el-Hodiby. Nadrukkelijk ontkent hij dat zijn beweging, die officieel is verboden maar wordt getolereerd, ook maar iets te maken zou hebben met de islamitische terreur. “Wij zijn tegen geweld”, zegt hij. “Wij veroordelen echter het gewelddadig optreden van de politie tegen moskeeën.”

Ondanks het beslist sterker wordende “islamitische gevoel” geloven slechts weinigen in de Egyptische hoofdstad dat het fundamentalistische offensief tot een omwenteling zal leiden. Vergelijkingen met de situatie in Algerije gaan mank omdat president Hosni Mubarak er niet over piekert de poorten van de Egyptische democratie voor partijen te openen die zijn land onder een streng islamitisch bewind willen brengen. Ook suggesties dat de in de VS na de bomaanslag op het World Trade Center in New York in opspraak gekomen blinde sjeik Omar Abdel-Rahman bij vrijwllige of gedwongen terugkeer naar Egypte een “Khomeinistische rol” zou kunnen spelen worden in Kairo als een “ongeloofwaardig scenario” afgedaan. Sjeik Omar, die tijdens het proces tegen de samenzweerders tegen president Anwar Sadat wegens gebrek aan bewijs werd vrijgesproken, is weliswaar in korte tijd via de media in Egypte bekend geworden maar heeft hier niet het aureool van een groot revolutionair.

Zolang president Mubarak op het leger kan vertrouwen blijft zijn regime buiten de gevarenzone. Bahey el-Din Hassan, de secretaris-generaal van de zeer kritische Egyptische mensenrechtenorganisatie, kan zich evenals anderen echter een situatie voorstellen waarbij een ernstig incident in een klimaat van stijgende werkloosheid, prijsstijgingen, woningnood en islamitische roeping een oncontroleerbaar revolutionair proces in beweging zet. De wijder wordende kloof tussen protserige rijkdom en schreeuwende armoede en de door de media opgewekte woede over corruptieschandalen en andere wantoestanden kweken zeker in de grote volksbuurten van Kairo een explosieve sfeer. Juist daar woekert het islamitisch fundamentalisme welig. Naarmate de afstand tussen het regime en het volk groeit ontstaat er volgens de analyse van Westerse waarnemers en Egyptische intellectuelen een gevoelsvacuüm waarin het fundamentalisme zich kan nestelen en dat ook doet. Er is geen enkele garantie dat de als tolerant bekend staande Egyptenaren door de loop der dingen in een klimaat van terreur en harde repressie niet in een revolutionaire spiraal kunnen terechtkomen.

Geen enkele vooraanstaande persoonlijkheid uit een betrekkelijk breed palet van de oppositie deelt het optimisme van regeringswoordvoerders dat de terreurgolf die over Egypte gaat kan worden bedwongen. Velen voorspellen een lange en steeds bloediger wordende strijd tussen het regime en de onder zware druk van de veiligheidspolitie gekomen extremisten van El-Gama'a el-Islamiyya en andere fundamentalistische groeperingen.

Het angstaanjagende vooruitzicht van een eindeloze burgeroorlog - in wezen is er sprake van een nieuwe fase in de Egyptische geschiedenis - tempert de zo aanstekelijke Egyptische vrolijkheid. Omdat het allemaal zo betrekkelijk onverwachts komt en zo scherp contrasteert met het imago van de geweldloze Egyptische maatschappij maakt de uit naam van Allah uitgevoerde terreur de Egyptenaren opvallend zenuwachtig. “We zijn bang”, vertelt een academisch gevormde hotel-employée. “De situatie is gevaarlijk. Er kan zo maar een bom in je buurt ontploffen. We zijn daaraan niet gewend. Ik moet er niet aan denken mijn dochtertje binnenkort met de bus naar school te moeten sturen.”

In deze moeilijke dagen, met snel dalende inkomsten uit het opdrogende toerisme als een van de pijnlijkste gevolgen van de campagne van de terreur tegen toeristen, maakt het beleid van het bewind een verwarde indruk. De combinatie van het stimuleren via de elektronische media van het imago van de “goede moslim” en de meedogenloze politiecampagne tegen de brandhaarden van de moslim-terreur roept spanningen op. Voor veel Egyptenaren is het onderscheid tussen wat een gematigde moslim moet zijn en een fundamentalist nogal vaag. De “kleine bedevaart” van president Mubarak naar Mekka heeft niet aan duidelijkheid bijgedragen.

In plaats van de hand diep in eigen boezem te steken om de politieke en sociaal-economische factoren van de opkomst van moslim-extremistische stromingen in de Egyptische samenleving te analyseren en tegemoet te treden, is zelfs de rationele Egyptische leider de weg van de minste weerstand ingeslagen. Iran en het moslim-fundamentalistische regime in Soedan worden door hem als de krachten van het kwaad aangewezen die er op uit zijn zijn regime ten val te brengen. Uit de Afghaanse burgeroorlog naar Egypte teruggekeerde strijders voeren volgens hem met Iraans geld en uit Soedan gesmokkelde wapens de boventoon in de fundamentalistische aanval op zijn bewind.

De internationale media beschuldigde hij er deze week van de veiligheidssituatie in Egypte op een onverantwoordelijke manier te overdrijven. Vergeleken bij hoofdartikelen in de Egyptische pers waarin gesuggereerd wordt dat de berichtgeving duidt op een duistere internationale samenzwering is dat nog kinderspel. De hand van Israel en het zionisme worden in deze sfeer van paranoia ook achter de bomaanslagen gezien. “Het is een joods belang om de islam zwart te maken”, is de daar achter schuilgaande gedachte.