DE PERFECTE 1-APRILGRAP

Wouter de Nooy. Richtingen Lichtingen. Literaire classificaties, netwerken, instituties. 233 blz.

Promotie Katholieke Universiteit Brabant, 12 maart. Promotores prof.dr. H.J.A. Verdaasdonk en dr. C.J. van Rees.

Stel u bent Maarten 't Hart en u treft u zelf aan in een proefschrift, ondergebracht in tabel 4 onder het kopje "Isomorfie tussen de classificatie van Carel Peeters (1973) en de netwerkposities van de auteurs'. Achter uw naam staat een hele reeks getallen, met als toelichting dat zij de "actormultipliciteit in de rijen met auteursnamen en de netwerkmultipliciteit in de rij Totaal' aangeven. Zou u zich dan begrepen voelen en denken ""Ja, daarvoor heb ik "Een vlucht regenwulpen' en al die andere prachtboeken geschreven''. Of zou u het alsnog met Karel van 't Reve in zijn Huizingalezing van lang geleden eens zijn en het hele idee literatuurwetenschap naar het rijk der fabelen verwijzen?

Ik zal het maar eerlijk bekennen. Toen ik Wouter de Nooy's proefschrift doorbladerde, dacht ik echt het perfecte 1-april-proefschrift gevonden te hebben, de materialisatie van Wim Kan's Artisdirecteur, die twee beren broodjes zag smeren en in zijn proefschrift slecht weer met het telefoonboek van Amsterdam vermenigvuldigde en dat dan weer deelde door tweede paasdag. Alleen zijn moeder had het gelezen en droeg er op familieavondjes wel eens uit voor.

Jammer voor mij en gelukkig voor moeder en zoon De Nooy viel "Richtingen en Lichtingen' (leuke titel, pech voor wie een proefschrift over de postbestelling zou willen schrijven) bij lezing toch erg mee, al bleef de indruk bestaan van veel drukte om niets en voor niets.

Mij zal het echt een zorg zijn of Aad Nuis de schrijver Arie B. Hiddema bij een andere richting indeelt dan Jaap Goedegebuure en het interesseert me eigenlijk ook nauwelijks met welke schrijvers Ben Borgart of Hannes Meinkema in verband gebracht kunnen worden. Ik zou er ook geen NWO-subsidie voor over hebben gehad. Als het W.F. Hermans of Margriet de Moor betreft wordt het natuurlijk alweer wat interessanter, dat geef ik toe.

In de literatuurwetenschap van Wouter de Nooy is er voor dit soort kwaliteitsdenken geen plaats. Hij zegt het al in zijn voorwoord: "Literair werk is een collectief produkt. Velen hebben een aandeel in het proces waarin literair werk ontstaat en een reputatie verwerft.'

Misschien is die reputatie uitdrukking van kwaliteit in de zin van een hoge waarde vertegenwoordigend, maar in de literatuursociologie gaat het eerst en vooral om de sociale herkenning en erkenning van werk dat de kwalificatie "literatuur' verwerft. Uitgevers en hun redacteuren spelen daar voor de auteurs zelf een belangrijke rol in (wie publiceert bij uitgeverijen als De Bezige Bij, Querido of Meulenhoff, hoort bijna per definitie tot de literatuur) en literatuurcritici bemiddelen tussen uitgevers, auteurs en publiek: hun oordeel geeft de (nieuwe) auteur en zijn (eerste) boek zijn plaats in de rangorde van schrijvers en het tableau van de genres en de stromingen.

Via de leraren Nederlands van het middelbaar onderwijs wordt de definitieve canon van gevestigde reputaties, toonaangevende stromingen en belangrijke boeken aan nieuwe generaties doorgegeven. Boekhandelaren en bibliothecarissen zorgen voor de beschikbaarheid van wat critici en later literatuurhistorici als waardevol hebben aangewezen.

De belangstelling van De Nooy richt zich op dat proces van classificatie van auteurs en hun werk in literaire bewegingen, richtingen of stromingen. Een belangrijk deel van het werk van de literatuurcritici bestaat uit het vergelijken van een nieuw boek of een nieuwe auteur met andere, meer bekende boeken of auteurs. De vergelijking maakt een plaatsbepaling van de auteur of het boek mogelijk, naar genre, sfeer, generatie, opvatting of wat dan ook.

Het nieuwe - en ook eigenaardig futiele - van de benadering van dit proces door De Nooy is dat hij op geen enkele manier geïnteresseerd is in de inhoudelijke en tekstuele argumenten voor deze plaatsbepaling. Er komt ook geen titel van een roman of dichtbundel in zijn hele boek voor, het gaat om het ordeningsproces van auteurs ten opzichte van elkaar, zoals dat gebeurt door recensenten en auteurs zelf. De tweede vraag is dan of deze ordeningen weerspiegeld worden in de visie van leraren Nederlands, boekhandelaren en bibliothecarissen.

Om die vragen te beantwoorden, heeft De Nooy de lichting van in de jaren 70 debuterende literaire auteurs genomen en gekeken hoe, waar en door wie zij geclassificeerd worden en of er samenhang is tussen en in de classificaties die door verschillende auteurs gemaakt worden. Hotz, Biesheuvel, Luijters, Kellendonk, Meijsing e tutti quanti worden dus alleen maar exemplarisch gebruikt. Misschien heeft De Nooy wel gewoon een hekel aan hun werk of er nooit een letter van gelezen, dat maakt allemaal niets uit.

Waar het om gaat is dat sommige auteurs meer met elkaar in verband gebracht blijken te worden dan andere en dat er een zekere samenhang is met het schrijven in dezelfde literaire tijdschriften en voor dezelfde uitgevers of het zitten in dezelfde redacties. Het correleert allemaal wel met elkaar, maar de correlaties zijn niet eens vreselijk hoog (tussen 0.20 en 0.40) en het levert ook nauwelijks informatie op, die niet ook biografisch of bibliografisch beschrijvend had kunnen worden verworven.

Dat gebeurt in dit soort studies echter nooit. Het verhaal van de auteurs en recensenten maakt plaats voor dorre tellingen op basis van een aantal "objectieve' criteria.

Soms komen er nog wel aardige dingen uit. Zo blijkt de mate waarin auteurs zichzelf tot een bepaalde stroming rekenen of met bevriende auteurs een manifest tegen de "oude' en voor de "nieuwe' literatuur publiceren, meer bepalend voor hun uiteindelijke classificatie te zijn dan het oordeel van de recensenten of de literatuurhistorici. De indeling vindt meestal ook al vrij vroeg in de schrijverscarrière plaats en ook jonge recensenten profileren zich graag met "oorspronkelijke' classificatievoorstellen.

Een goed criterium voor het succes en aanzien van een schrijver is de mate waarin hijzelf als vergelijkingsmaatstaf voor de beoordeling van het werk van anderen gebruikt wordt. Harry Mulisch kan dus wel met Thomas Mann of met ouder werk van hemzelf vergeleken worden, maar niet met - vooruit maar weer - Hannes Meinkema, tenzij dat kritisch bedoeld zou zijn.

Wouter de Nooy heeft het idee in zijn onderzoek een aantal algemene punten in het ontstaan van literaire classificaties te hebben blootgelegd. Er zijn zeker een aantal zaken verhelderd en goed uitgeschreven, maar de vraag is toch wel of de jaren '70 wel zo representatief zijn voor het literair classificeren. In mijn herinnering werd er in de jaren '70 bewust en bijna wanhopig gezocht naar een nieuwe generatie literaire auteurs met een nieuwe identiteit. Net als in de popmuziek overheerste in de literatuur toch een gevoel van matheid en gemakzucht: traditionele vormen en gemakkelijke thema's. De indelingen van de critici zijn vaak ook opvallend negatief getoonzet, om niet te zeggen onhebbelijk ("niet onbenullig', "kleinburgerlijk realisme'). Pas tegen het einde van het decennium werd de toon positiever, met name door de erkenning van de kwaliteit van de academistische stroming (Revisor-proza).

Een belangrijk moment was het ook door De Nooy aangehaalde artikel van Jan Brokken uit 1977 in de HP. Het leverde zelfs een opmerkelijke voorplaat op, met een scheelkijkende Kooymanm en een mysterieus mooie Kellendonk tegen een boekenwand vol klassieke werken.

Voor zover ik dat kan overzien, zijn er de afgelopen jaren nauwelijks of geen polemische literaire classificatiepogingen meer gedaaan. Het lijkt ook wel of het classificeren naar stromingen plaats heeft gemaakt voor het classificeren naar genres en thema's: reisliteratuur, biografische en autobiografische literatuur, feministische literatuur, Indische literatuur (in het onderzoek van De Nooy brengen de respondenten iemand als Marion Bloem in verbinding met ongeveer alle vertegenwoordigers van de Indische literatuur), historische romans, ideeënromans. Er lijkt ook een sterke individualisering van de belangrijke auteurs te hebben plaatsgehad, ook als het om de jongeren gaat.

In het tweede deel van zijn onderzoek ondervraagt De Nooy een groep literatuurcritici, boekhandelaren, bibliothecarissen en leraren Nederlands over hun kennis ten aanzien van literaire stromingen tussen 1945 en 1980 en hun vermogen bepaalde auteurs ten opzichte van andere auteurs te situeren. Statistisch en methodologisch worden er met dat materiaal heel wat hoogstandjes uitgehaald, maar erg veel levert dat toch niet op. Uiteraard zijn de recensenten het best op de hoogte (ten dele hebben ze zelf de classificaties gemaakt!) en de bibliothecarissen het minst. Boekhandelaren letten sterk op de uitgeverij waar iemand publiceert (in de Nederlandse literatuur echt een heel scherp classificatiemechanisme voor het onderscheid literair versus niet-literair; De Nooy besteedt daar vind ik te weinig aandacht aan) en leraren zijn weer vooral thuis in de meer historische classificaties. In de praktijk blijkt de rol van de classificaties heel beperkt te zijn en nauwelijks van belang in de relatie tot het lezerspubliek.

De Nooy verbaast zich daar enigszins over. Hier wreekt zich de beperktheid van een benadering die gevaar loopt te vergeten dat het literaire bedrijf uiteindelijk toch gebaseerd is op teksten die gelezen willen worden. Lezers kiezen niet voor een "collectief produkt' of voor richtingen, maar voor een boek en een auteur. Op dezelfde manier kiezen ze ook voor recensies, gewoon om te lezen als interessante beschouwingen over wat er in de wereld van de literatuur aan de gang is en daarnaast om te besluiten een bepaald boek wel of niet te gaan lezen. Niemand zal in de boekhandel vragen naar een "ironisch-realistisch' of "postmodernistisch' werkje. Wel zal men kiezen voor de "literatuur' of de "lektuurtafel' en eventueel ook voor "reisverhalen' of "feministische literatuur'.

Recensenten houden volgens De Nooy wel niet zo van dat soort aanduidingen, maar dat lijkt me toch vooral hun probleem. In de boekhandel wil ik weten waar ik wat vinden kan, van de recensent verwacht ik in eerste instantie dat hij helpt te selecteren tussen wat de moeite waard is en wat niet. De classificatie is daar een hulpmiddel bij, meer niet.