Bende van Vier schudt effectenhandel wakker

De "Bende van Vier' drukt de laatste jaren een nadrukkelijk stempel op de effectenhandel in Amsterdam. Deze dochters van buitenlandse banken winnen snel marktaandeel, ten koste van de kleine effectenhuizen.

In effectenkopend Nederland mag de kleine belegger nauwelijks tellen, de kleine handelaar is aan een indrukwekkende opmars bezig. Althans, de relatief kleine kantoren die het Nederlandse filiaal zijn van grote buitenlandse banken. Hun creativiteit en agressie overtreffen die van veel gerenommeerde Nederlandse banken. De effectenomzet van de Deutsche Bank-dochter H. Albert de Bary (400 werknemers) overtrof vorig jaar al die van de Rabobank (7.745 werknemers). Alleen ABN Amro en ING Bank wisten een hogere effectenomzet te behalen.

De Bary - per vandaag Deutsche Bank-De Bary - is niet de enige vooruitgeschoven post van een buitenlandse bank die succesvol en winstgevend opereert op de Nederlandse kapitaalmarkt. Ook de Britse Barclays de Zoete Wedd (BZW), Swiss Bank Corporation en de Zwitsers/Amerikaanse Credit Suisse First Boston, die in de tweede helft van de jaren tachtig in Amsterdam neerstreken, staan hoog genoteerd op de ranglijst met marktaandelen van beursleden (banken en commissionairs). De vier buitenlandse banken - waarbij vrijwel alleen Nederlanders werken - hebben samen een aandeel op de beurs van bijna 18 procent. In 1989 bedroeg het nog 7 procent.

De snelle opkomst van de internationaal georiënteerde "buitenlanders' heeft de Nederlandse bankiers wakker geschud. Terwijl gefuseerde bankgiganten als ABN Amro en ING zich graag mogen afficheren als global players, moeten ze hun positie op de thuismarkt verdedigen tegen enkele agressieve concurrenten die zich met steun van een sterk moederconcern hebben toegelegd op de effectenhandel.

De Amsterdamse effectenbeurs moet nog wennen aan de aanwezigheid van de assertieve buitenlandse bankdochters. In het najaar van 1991 dreigde het tot een conflict te komen met het beursbestuur. De aankondiging van een beursmaatregel dreef de vier buitenlandse huizen in feite in elkaars armen. Het beursbestuur had geld nodig om de handel via de beursvloer verder te automatiseren en wilde de beleggersbijdrage (een percentage van de omzet) door een nieuwe berekeningswijze drastisch verhogen. Vooral de vier buitenlandse banken zouden hiervan de dupe worden, omdat ook buiten de beurs om afgewikkelde transacties zouden worden belast.

De vier waren faliekant tegen deze extra belasting; ze maakten toch al weinig gebruik van de handelsfaciliteiten in het beursgebouw. Bovendien ergerden ze zich al jaren groen en geel aan alle kosten die aan het beurslidmaatschap verbonden zijn. Ze zijn bij voorbeeld verplicht jaarlijks 25.000 gulden te betalen voor een ongebruikte nis op de beursvloer.

Na druk lobbyen (geen van de vier banken heeft een vertegenwoordiger in het beursbestuur) kwam een compromis uit de bus dat de vier banken aanvaardbaar vonden. De vier, die ontdekten dat ze niet alleen in dit geval gelijkluidende belangen hadden, worden sindsdien in de wandelgangen aangeduid als de Bende van Vier - analoog aan de clan rond Mao's weduwe.

De onstuimige groei van de middelgrote buitenlanders is vooral ten koste van de kleine traditionele effectenhuizen gegaan. Het totale marktaandeel van de drie grootbanken, ABN Amro (inclusief dochters Pierson, Heldring & Pierson, Mees & Hope, Theodoor Gilissen en Wesselius), ING Bank en Rabobank, heeft er niet onder geleden. Dat is zelfs gegroeid: van 47,56 procent in 1989 tot bijna 55 procent in 1992. Deze groei kwam bijna in zijn geheel voor rekening van ING Bank.

Het marktaandeel van de 43 effectenhuizen die elk minder dan één procent van de markt in handen hebben, daalde in die zelfde periode van 19 tot nog geen 8 procent. Ze verliezen marktaandeel omdat hun klanten, voornamelijk Nederlandse particulieren, de laatste jaren minder actief in aandelen handelen.

Pag.20: Buitenlandse bank profiteert van populariteit Nederlandse effecten

In tegenstelling tot andere buitenlandse bankdochters, zoals Van Meer James Capel en Suez Kooijman, werken De Bary en BZW nauwelijks en Swiss Bank en CSFB in het geheel niet voor particulieren. Ze moeten het vooral hebben van institutionele beleggers, vooral de buitenlandse pensioenfondsen en verzekeraars, die steeds meer Nederlandse effecten in portefeuille nemen.

De buitenlandse bankdochters hebben met volle teugen geprofiteerd van de toegenomen populariteit van Nederlandse effecten - Koninklijke Olie, Unilever en staatsleningen - in het buitenland. Ze hebben, zeggen ze, zelf ook bijgedragen aan die populariteit. “Wij maken reclame voor Nederlandse effecten in het buitenland”, aldus A.E. Teeuw, die samen met A. Plomp de directie voert bij BZW.

De samenstelling van hun klantenkring bepaalt in hoge mate de houding van de buitenlandse banken ten op zichte van de Amsterdamse effectenbeurs. Het handelssysteem is, menen de vier, te veel gericht op kleine transacties (reatil) en te weinig op de verwerking van de grote orders van institutionele beleggers. Drs. W. Mak, directievoorzitter bij Swiss Bank: “De beurs wil maar niet geloven dat Nederland geen retail-land is. Nederlanders hebben hun spaarcenten in een huis, een pensioen, een levensverzekering of in een beleggingsfonds zitten”, zegt Mak.

De discussie in het beursbestuur over de hervorming van het handelssysteem om te voorkomen dat nog meer handel wegvloeit naar Londen (Seaq International) is voor de vier een gepasseerd station; grote transacties voor institutionele beleggers verlopen al via Seaq International. “Banken met een grote buitenlandse moeder die via Londen handelen kunnen orders sneller plaatsen”, zegt de beheerder van een groot pensioenfonds. Bovendien is het goedkoper, omdat geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de diensten van de Amsterdamse hoekmansbedrijven.

“De wereld is onze markt”, roept Mak. “We staan met één been in Londen en met één been in Amsterdam”, zegt Teeuw. De liquiditeit, de mate waarin effecten verhandelbaar zijn, vindt Teeuw een belangrijk voordeel van het opereren op meer dan één markt. “Liquiditeit halen we in wezen uit vier markten: de Amsterdamse effectenbeurs, Seaq International, andere professionele partijen en institutionele beleggers. Omdat we toegang hebben tot die vier markten, kunnen we een order snel en voor een relatief lage prijs uitvoeren.” De vier zijn inmiddels zo belangrijk geworden dat het beursbestuur hen consulteert bij ingrijpende beslissingen. Dat gebeurde recentelijk nog toen het bestuur een standpunt moest bepalen over voorstellen van het adviesbureau McKinsey om het handelssysteem van de beurs te hervormen.

Hoewel nog niet alle details zijn uitgewerkt, kunnen de vier zich redelijk vinden in de splitsing van de aandelenhandel die voortvloeit uit het McKinsey-rapport. Het beursbestuur wil de handel boven een bepaalde grens vrijlaten en alleen kleine en middelgrote transacties verplicht via de hoekman laten lopen. De "buitenlanders' vinden wel dat de beurs erg laat is met deze voorstellen. Ze had die anderhalf miljoen gulden voor McKinsey niet hoeven uitgeven, zeggen de vier, die immers jaren geleden al lieten weten dat de beurs zo moest worden geherstructureerd.

Niettemin is het McKinsey-rapport koren op hun molen. Het noemt als hoofdreden voor het weglekken van effectenhandel naar de Londense beurs de betere concurrentiepositie van met name buitenlandse banken of intermediairs. Volgens de ondervraagde binnen- en buitenlandse institutionele beleggers zijn ze in vergelijking met de gemiddelde Nederlandse bank goedkoper en bewerken ze de markt actiever.

Buitenlandse intermediairs wachten niet tot klanten bellen, ze bellen zelf ongevraagd met beleggingsadviezen. Dat wordt hun niet altijd in dank afgenomen. “Soms vraag ik me af voor wie al die nieuwe ingewikkelde produkten eigenlijk zijn: voor de banken of voor de klanten”, zegt een fundmanager van een pensioenfonds. “Een hoge turnover en dus hoge transactiekosten zijn nog geen garantie voor een hoog rendement.”

De vier lijken in veel opzichten op deze "echte' buitenlandse intermediairs met dat verschil dat de eersten lid zijn van de Amsterdamse effectenbeurs. Alleen leden mogen er namelijk Nederlandse effecten kopen en verkopen. Met het in hun ogen dure beursgebouw zelf hebben de vier weinig affiniteit. Ze hebben geen personeel op de beursvloer. Hun handelaren kopen en verkopen valuta's, obligaties, aandelen en opties vanachter een batterij beeldschermen en telefoons in eigen trading rooms, net als de grootbanken overigens.

Bij De Bary, dat in zeven aaneengesloten monumentale panden aan de Herengracht is gevestigd, zijn - met toestemming van Monumentenzorg - de wanden tussen drie panden weggebroken op de tweede verdieping om een trading room met zestig werkplekken te maken.

Op de Weteringschans, nog geen vijf minuten lopen van De Bary, bevindt zich het kantoor van Barclays de Zoete Wedd (BZW), waarin 45 mensen werken. Nederland was in 1987 het eerste land op het Europese continent waar het Britse BZW de kapitaalmarkt betrad.

“Nederland is de thuismarkt voor een aantal belangrijke internationale waarden”, zegt directeur Teeuw. “Bovendien staat Nederland na de VS, Japan en Groot-Brittannië op de vierde plaats wat betreft het onafhankelijk beheerd vermogen van verzekeraars en pensioenfondsen. Verder is Nederland een politiek stabiel land met een sterke munteenheid en een open economie”, motiveert Teeuw de keuze voor Nederland als vestigingsplaats. Die zelfde redenen gelden voor de andere buitenlandse banken. Volgens Teeuw is het voor banken die een sterke positie nastreven in de effectenhandel een must om ter plekke over een ploeg ervaren analisten te beschikken. Die ervaring kan alleen worden opgedaan als bepaalde bedrijfstakken waarin wordt belegd langdurig worden gevolgd. “Zo verwerven ze autoriteit in de sector”, aldus Teeuw. De buitenlandse bankdochters verschillen hierin met de beleggingsafdelingen van de grote Nederlandse banken, zegt hij. “Bij de grootbanken gaan de meeste analisten na een paar jaar weer naar een andere afdeling.”

De Nederlandse dochter van Credit Suisse First Boston (CSFB, 45 medewerkers), evenals De Bary in De Gouden Bocht van de Herengracht gehuisvest, noemt ook de manier waarop de beleggingsresearch is georganiseerd kenmerkend voor de buitenlandse dochters. “Voor grote institutionele beleggers zijn de landsgrenzen in Europa allang vervaagd”, zegt A. Mak van Waay, een van de vier directieleden. “Ze beleggen niet per land, maar in een bepaalde sector per regio. Ze willen weten wat de beste chemiefondsen zijn in Europa. De research-afdeling van een effectenbank moet daarop inspelen.”

De buitenlandse bankdochters hebben het voordeel dat ze gebruik kunnen maken van de kennis bij zustervestigingen. De Nederlandse vestiging volgt specifiek Nederlandse fondsen en de Nederlandse economie en voedt op haar beurt sectoranalisten in Londen of Frankfurt. “Analisten moeten zitten op de plek waar de meeste informatie op hun terrein beschikbaar is. Zo zit de luchtvaartanalist in New York en de autoindustrie-specialist in Italië”, zegt Mak van Waay.

Niet alleen wat research betreft onderscheiden de vier zich. Ze worden niet geplaagd door erfenissen uit het verleden, zoals de Nederlandse grootbanken die nog druk bezig zijn de jongste fusiegolf te verwerken. Door de fusies zitten elkaar beconcurrende effectenafdelingen nu soms onder één dak. Het ontstaan van drie dominante grootbanken op een relatief kleine markt heeft de buitenlandse banken zelfs in de kaart gespeeld: institutionele beleggers streven ernaar hun beleggingen over meer dan een bank te spreiden.

De relatief kleine en slagvaardige buitenlandse investment banks hebben evenmin last van de belangenconflicten die de grootbanken kennen. De concentratietendens heeft ertoe geleid dat de financiële reuzen zowel kredietverlener als aandeelhouder van sommige concerns zijn geworden. Bij de ondergang van Air Holland en Medicopharma wezen aandeelhouders bij voorbeeld meer dan eens in negatieve zin op de verschillende petten van ABN Amro. De vier hebben elk vanuit een eigen specialisme een positie op de Nederlandse kapitaalmarkt veroverd. De Bary is groot geworden met de handel in obligaties, terwijl bij BZW en CSFB het accent aanvankelijk op aandelen lag. Swiss Bank begon op de markt voor de uitgifte van obligaties.

Alle orders voor Nederlandse obligaties van Deutsche-Bankdochters lopen via De Bary. Omgekeerd kan de De Bary buitenlandse aandelen en obligaties aanbieden die de zustervestigingen van de Deutsche Bank in andere landen inkopen. Deze wisselwerking is ook bij andere buitenlandse bankdochters te vinden.

“Met hard werken, goede mensen, onze bereidheid om een markt te onderhouden en nieuwe ideeën hebben we ons marktaandeel vergroot”, zegt algemeen directeur mr. H. Fontein van De Bary. Mak van Waay noemt de introductie van nieuwe financiële instrumenten als manier om de institutionele beleggers te paaien. Onlangs vroeg CSFB beursnotering aan voor de zogeheten Wonder warrant, een eigen vinding om te speculeren op het herstel van conjunctuurgevoelige fondsen als Stork, DSM en KLM.

Swiss Bank Corporation, als enige van de vier niet in het centrum van Amsterdam gevestigd, heeft het gebrek aan een statige gevel gecompenseerd door de inrichting die Zwitserse degelijkheid uitstraalt. Zware houten meubelen en hoogpolig tapijt doen enigszins vergeten dat directeur Mak en veertig werknemers kantoor houden in een modern pand in Amsterdam Zuid-Oost. Twee beeldschermen - één met obligatie- en één met aandelenkoersen - herinneren niettemin voortdurend aan de wereld van het snelle geld.

Swiss Bank, naar eigen zeggen vanaf de start in 1987 winstgevend, was de eerste jaren vooral actief op de zogeheten primary market (uitgifte van obligaties en onderhandse leningen). De ster van de Zwitserse bankdochter is snel gerezen: Swiss Bank staat op deze markt op de derde plaats, achter ABN Amro en Rabobank.

De opmars van de buitenlandse bankdochters is nog niet ten einde. Via hun wijdvertakte internationale netwerk kunnen ze, meer dan de Nederlandse concurrentie, profiteren van de groeiende buitenlandse belangstelling voor Nederlandse effecten. Het aantal buitenlandse bankdochters neemt bovendien nog steeds toe. Zo wist de relatief nieuwe dochter van het Britse S.G. Warburg, pas sinds 1991 actief in Nederland, in korte tijd een marktaandeel van 2,2 procent op de aandelenmarkt te bemachtigen en overweegt het Britse UBS Phillips een Nederlandse vestiging te openen. Toen Nederlandse financiële instellingen een paar jaar geleden Amsterdam tot Financieel Centrum uitriepen, doelden ze daarmee waarschijnlijk niet op de aantrekkingskracht van de hoofdstad op buitenlandse concurrenten.