BELASTING

In het hoofdartikel "Collectief watertrappelen' (NRC Handelsblad, 27 maart) wordt gesuggereerd dat veel Nederlanders bij het invullen van hun aangiftebiljet zullen vaststellen dat ze bij een belastingtarief van 50 respectievelijk 60 procent in 1992 tot 1 juli respectievelijk eind juli "slechts' hebben verdiend voor de collectieve sector en pas daarna voor zichzelf zijn begonnen.

Deze opvatting miskent echter de opbouw van ons belastingstelsel. Het is niet zo dat mensen met een hoog inkomen alleen maar 50 of 60 procent belasting betalen. Bij de opbouw van het belastbaar inkomen wordt rekening gehouden met diverse (forfaitaire) aftrekposten. Is het belastbaar inkomen vastgesteld dan wordt nog een belastingvrijstelling verkregen in de vorm van belastingvrije tariefgroepen. Ook hierbij houdt men zo veel mogelijk rekening met ieders persoonlijke omstandigheden. Zo kan de werkende partner gebruik maken van de belastingvrije som van zijn niet werkende partner. Hetgeen na aftrek van de belastingvrije tariefgroep uiteindelijk resteert is de belastbare som. Over de eerste fl.42.992 moet dan 38,55 procent worden betaald. Daarna is over de tweede fl.42.992 50 procent verschuldigd en pas dan belandt men in het zestig procents-tarief.

De gemiddelde Nederlander of de meerverdienenden zijn dus niet de helft of meer van het jaar bezig met inkomen te genereren voor de collectieve sector, zoals wordt gesuggereerd. De effectieve belastingdruk ligt veel lager. Financien heeft voor 1992 berekend dat bij een brutojaarloon van fl.100.000 tot fl.125.000 de gemiddelde effectieve belastingdruk voor een alleenverdiener 27 procent bedraagt. Bij een inkomen van fl.60.000 tot fl.70.000 bedraagt dit percentage slechts 14 procent. Het ligt dan ook niet zo maar voor de hand om het rapport van de Cie-Zijlstra klakkeloos te omarmen. Zij doet voorstellen die diep in onze samenleving zullen ingrijpen. Ook de beter betaalden zullen er door worden getroffen. Uiteraard staat het iedereen vrij om het al dan niet met de voorstellen eens te zijn. Een keuze pro Zijlstra moet dan wel wat zorgvuldiger en beter worden beargumenteerd.

Naschrift hoofdredactie:

Uiteraard gaat het bij het schijventarief om de marginale belastingdruk op de laatst verdiende gulden. Daarvan verdwijnt al naar gelang het belastbare inkomen de helft resp. 60 procent naar de fiscus.

De collectieve lastendruk in Nederland (die meer omvat dan de tarieven van de loon- en inkomstenbelasting) ligt dit jaar op 54 procent van de nationale economie, boven het maximum van 53,6 procent dat in het regeerakkoord staat. In 1990 bedroeg de collectieve lastendruk 52,2 procent. De "gemiddelde Nederlander' is dus wel degelijk tot in juli bezig inkomen te genereren voor de collectieve sector. Vergeleken met 1990 is die periode zelfs iets langer geworden.