Veel materiaal tegen Andreotti

ROME, 31 MAART. In het 246 pagina's tellende rapport waarin de justitie van Palermo uitlegt waarom zij Andreotti verdenkt van banden met de mafia, staat dat de oud-premier waarschijnlijk nooit formeel lid is geworden van Cosa Nostra, maar dat hij “een positieve bijdrage heeft geleverd aan de bescherming van de belangen en het bereiken van de doelen van de organisatie”.

Centraal in de beschuldiging staat Salvo Lima, een vooraanstaande christen-democraat op Sicilië die Andreotti's rechterhand daar was. Lima is verdachte in een groot aantal mafiazaken. Andreotti heeft een deel van zijn macht ontleend aan het "pakket' stemmen dat Lima hem garandeerde.

De justitie heeft een reeks aanwijzingen verzameld dat Andreotti “het Romeinse contact was van Lima en van Cosa Nostra”, en wel “in een context van relaties tussen Andreotti en Cosa Nostra die - niet zijdelingse en niet toevallige - op zijn minst in 1968 zijn begonnen en zeker tot in 1992 zijn gehandhaafd”.

Een hoofdrol spelen de verklaringen van zes pentiti, spijtoptanten van de mafia. Leonardo Messina heeft verteld dat Andreotti in mafiakringen bekend stond “als iemand die dicht bij de organisatie stond en bijna liefkozend "oom' werd genoemd”, aldus het rapport. “Lima was in contact met Andreotti over de zaken die van belang waren voor Cosa Nostra.” Belangrijk daarbij waren de processen tegen vooraanstaande mafialeiders. “Er waren precieze garanties dat het proces in cassatie zou uitlopen op een aanfluiting; dergelijke garanties kwamen van Lima, van Andreotti, en van de president van (het Hof van) Cassatie, Carnevale”, vertelde Messina volgens het rapport.

Ook de pentito Gaspare Mutolo noemt Andreotti als “de persoon tot wie Salvo Lima zich constant richtte voor de besluiten in Rome waarbij de belangen van Cosa Nostra betrokken waren”. Lima is een jaar geleden vermoord, twee maanden nadat het Hof van Cassatie onder een andere rechter dan Carnevale de veroordeling tegen de mafialeiders bevestigde. Die aanslag was “een signaal aan zijn baas”, zo heeft Mutolo verteld. Lima werd volgens Mutolo vermoord omdat hij werd beschouwd als “het belangrijkste symbool” van Andreotti, die, “na jarenlang een relatie van vreedzame samenleving en uitwisseling van gunsten te hebben gehad met Cosa Nostra”, de belangen van de organisatie niet langer beschermde, “en had laten merken een tegenovergestelde politiek te willen volgen”.

De naam van Lima, en daarmee het spoor naar Andreotti, duikt op in een aantal andere zaken. De pentito Marino Mannoia heeft verteld dat Lima in 1978 herhaaldelijk contact heeft gezocht met mafialeiders om hun hulp te vragen bij de speurtocht naar de christen-democratische leider Aldo Moro, die was ontvoerd door de linkse terreurgroep Rode Brigades. Moro werd later vermoord. Een aantal pentiti wijst op de contacten van Lima met Michele Sindona, een duistere bankier die banden had met de mafia en met de bank van het Vaticaan. Sindona, die in de problemen kwam toen hij geld had verspeeld dat hem door mafialeiders was toevertrouwd, werd in zijn cel vergiftigd.

Ook Licio Gelli, de leider van de vrijmetselaarsloge Propaganda Due (P2) die in 1981 werd verboden omdat zij had geprobeerd een staat binnen de staat te vormen, duikt herhaaldelijk op in de beschuldigingen tegen Andreotti. Gelli was volgens de pentito Marino Mannoia de contactpersoon tussen de mafiafamilie van de Corleonesi, de groep geleid door de in januari gearresteerde Totò Riina, en de Vaticaanse bank. Mannoia heeft gezegd dat Roberto Calvi, de president van de Banco Ambrosiano, in 1982 door de mafia is vermoord in een in scene gezette zelfmoord. Calvi, die nauw heeft samengewerkt met de Vaticaanse bank, zou geld van de mafia en van Gelli hebben verspeeld.

De rechters in Palermo herinneren eraan dat bij eerdere onderzoeken “een nauw netwerk van verbindingen tussen Giulio Andreotti, Sindona, bankier Roberto Calvi, Licio Gelli en andere exponenten van de geheime vrijmetselaarsloge P2 aan het licht is gekomen”. Zij verwijzen ook naar een uitspraak van de pentito Messina dat hij “binnen Cosa Nostra steeds heeft horen zeggen dat een van de kanalen om bij Andreotti te komen de vrijmetselarij was”.

Een passage in het rapport gaat over de mafiamoord op generaal Carlo Alberto Dalla Chiesa in september 1982, drie maanden nadat hij prefect van Palermo was geworden. In zijn dagboek schreef Dalla Chiesa Andreotti te hebben verzekerd dat hij diens stroming in Sicilië niet zou ontzien bij zijn onderzoeken, met de toevoeging dat de Andreottianen “een van de meest vervuilde families” waren. Als antwoord vertelde Andreotti, aldus het dagboek, het verhaal van een mafioso die in de Verenigde Staten was vermoord en terugkwam in een kist met een tien-dollarbiljet in zijn mond - volgens de rechters een nauwelijks verhuld dreigement. De oud-premier heeft ontkend dit te hebben gezegd, maar de rechters geloven hem niet en schrijven dat de mafia voordeel heeft gehad van de tegenwerking die Dalla Chiesa heeft ondervonden van de Palermitaanse politici van Andreotti's stroming.

In zijn wekelijkse column in het weekblad Europeo heeft Andreotti vanmorgen deze beschuldigingen verworpen als “absoluut vals”. Hij suggereert dat de verklaringen van de pentiti zijn ingefluisterd door politieke vijanden. Het is dezelfde verdedigingstactiek die mafialeider Totò Riina volgt.

Op 14 april zal een commissie van de Senaat zich buigen over het verzoek van de Palermitaanse justitie om de parlementaire onschendbaarheid van Andreotti op te heffen. Daarna moet de voltallige Senaat daarover een uitspraak doen.