Van der Moer doet Dietrich

Door de geluidsbarrière. De overgang van stom naar geluid in Europa. Amsterdam, Nederlands Filmmuseum, 1 tot en met 28 april.

Het weetje dat The Jazz Singer met Al Jolson in 1927 de eerste sprekende film was, maakt deel uit van onze algemene ontwikkeling. In werkelijkheid was The Jazz Singer een grotendeels zwijgende film met enkele gezongen fragmenten. Ook de legende dat in zeer korte tijd in paniek alle filmstudio's over gingen op het uitsluitend vervaardigen van geluidsfilms is niet helemaal juist. De beeldvorming over de geboorte van de "talkies' is voor een groot deel gevoed door de rond die gebeurtenis gesitueerde, fictieve filmmusical Singin' in the Rain (1952). De verrukkelijke scènes met een in een bloemstuk verstopte microfoon en een geïmproviseerde vorm van "play-back' droegen weinig bij aan een wezenlijk begrip van de gecompliceerde situatie rond de, inderdaad vrij snelle omschakeling van de filmindustrie.

In zijn recent verschenen proefschrift "Sprekende films' belicht Karel Dibbets de spannende verwikkelingen rond de rechten op een bepaald geluidspatent. Het Nederlands Filmmuseum wijdt zijn programma in de maand april aan vroege Europese geluidsfilms. Zo zijn bij voorbeeld vanaf morgen een week lang in een dubbelprogramma de zwijgende en de sprekende versie te zien van Alfred Hitchcocks Blackmail (1929), een vermaard experiment.

Minder bekend zijn de vroege curiosa van geluid op film, waarvan in het weekeinde van 3 en 4 april uiteenlopende staaltjes te zien en te horen zijn. Al in 1906 presenteerde Gaumont in Frankrijk korte, met de hand ingekleurde zangfilms. Het Deense ingenieursduo Axel Petersen en Arnold Poulsen vertoonde in 1923 in Kopenhagen met grote trots Den talende film, een sprekende film van twintig minuten, waarin allerlei acteurs, zangers, conférenciers en musici hun kunsten aan het hooggeëerde publiek ten toon spreiden.

De onwennigheid van de personen voor de camera maakt deel uit van de ontroering, die zulke stukjes film nu nog teweeg kunnen brengen. Bovendien is het, vooral als het om Nederlandse produkties gaat, vanuit een historisch opzicht aardig om er kennis van te nemen. Philips maakte in 1931 proefopnamen, waarin Ank van der Moer Marlene Dietrich imiteert en in 1934 een korte film, Hallo Hilversum, met een verbazingwekkend optreden van het populaire orkest van Kovacs Lajos voor de AVRO-radio. Het eerste geluidsjournaal van Orion-Profilti, Nederland in klank en beeld, maakte rond 1931 een extra-editie ter gelegenheid van de oprichting van het Nationaal Crisis Comité. Prinses Juliana blikt daarin verschrikt in de camera, om vervolgens zonder één keer op te kijken voorovergebogen een redevoering van een papier voor te lezen.

Dergelijke filmfragmenten zijn goede illustraties van de ontwikkeling van een medium. Wie verbijsterd kijkt naar de primitiviteit van de vroege geluidsfilms, moet zich realiseren dat de zwijgende filmkunst op dat moment al een grote mate van technische perfectie en kunstzinnige verfijning bereikt had. Die werd niet zonder slag of stoot, maar toch vrij radicaal verworpen door de profeten van de cinematografische vooruitgang. De herontdekking van de zwijgende film is daarom ook relevant in de huidige discussie over de onstuitbare opmars van nieuwe media. Het lijkt niet verstandig om bij voorbeeld film als drager volledig af te zweren, wanneer video en beeldplaat zich aandienen.

Het is dan ook geen toeval, wanneer in Blackmail of de bekende vroege Duitse geluidsfilm Abschied (Robert Siodmak, 1930; vertoond van 23 tot en met 28 april) de zwijgende beeldmontages nu het meest tot de verbeelding spreken.