Urbanus zweert zijn boertige kant af in een zwaar aangezet halffabrikaat; Een engel moet de buurvrouw redden

De zevende hemel. Regie: Jean-Paul Lilienfeld. Met: Urbanus, Renée Soutendijk, Hilde van Mieghem. In: 74 theaters

De Vlaamse komiek Urbanus is niet alleen een van de weinigen in de lage landen die de sprong van kleinkunst en televisie naar cinema met commercieel succes bekroonden, maar ook een zeldzaam voorbeeld van een geslaagde Belgisch-Nederlandse "cross-over'. Zijn twee eerste films, Hector (1988) en Koko Flanel (1990), beide geregisseerd door de inmiddels voor een Oscar genomineerde Stijn Coninx, waren geen toonbeelden van filmisch raffinement. De losse scenario's dienden voornamelijk als kapstok om Urbanus (als respectievelijk melkboer en vogeltjeshandelaar in de reclamewereld) zijn grappen en typetjes aan te laten ophangen. De filmkritiek bromde welwillend dat het haar films niet waren, en het Belgische en Nederlandse publiek stroomde in groten getale toe, ongehinderd door cinematografische bezwaren.

Dat Urbanus' derde film ambitieuzer trekken vertoont, strekt hem tot eer. De keuze voor een Franse regisseur-scenarist heeft niets meer te maken met de overwegingen die bij voorbeeld Wim Sonneveld ooit deden besluiten om een Engelse regisseur voor zijn speelfilm te engageren. De lokale filmindustrie is nu heel goed in staat om een scenario als dat van De zevende hemel tot stand te brengen, en zeker om het te regisseren.

Toevallig was Urbanus' Belgische producent Erwin Provoost in contact gekomen met Jean-Paul Lilienfeld, een Franse acteur, die ook aan enkele lokale, niet bijster opwindende komedies meegeschreven had. Lilienfeld had Un ange passe geschreven om er zelf de hoofdrol in te spelen: een mild blijspel over een zelfmoordenaar die op het moment dat hij er een eind aan wil maken zijn buurvrouw betrapt op hetzelfde voornemen, en zich vervolgens voor haar engelbewaarder uitgeeft. Provoost vormde het idee om tot een Nederlands gesproken vehikel voor Urbanus en Renée Soutendijk, dat Lilienfeld mocht regisseren.

De transformatie van de schlemiel Urbanus tot een filmpersonage met een hart en een verliefde logica is half gelukt. De zevende hemel heeft een bij vlagen ingewikkeld scenario, dat de voor engelbewaarder spelende "kleine man' op reis laat gaan met de charmante buurvrouw om haar levenslust te revitaliseren. Omdat een engel geen stoffelijke behoeften kent, moet hij stiekem eten en drinken, en kan hij zonder problemen het bed met haar delen. De vrouw doet alsof ze zijn bedrog niet in de gaten heeft (de zwakke plek in het script) en tovert na verloop van tijd een verrassende troef te voorschijn.

Het acteerduel tussen de zich serieuzer dan ooit voordoende komiek en Soutendijk, wier kwaliteiten als comédienne relatief onbekend zijn, verloopt redelijk spannend. Uiteindelijk is de geloofwaardigheid de grote verliezer, omdat de indruk dat hier twee mensen zichzelf geweld aan lopen te doen, de aandacht voor de plot opzij drukt. Urbanus heeft de opdracht minder grappig te doen omwille van de romantiek, Soutendijk moet de dubbelzinnigheid van haar personage verbergen achter soms te krampachtige leukigheid.

Op de weinige momenten dat De zevende hemel werkelijk van de grond komt, zijn er een paar kolderieke scènes met Kitty Courbois als geborneerde hotelhoudster. Dan dient zich bijna nostalgie aan naar de eerste twee films van Urbanus. Voor zijn fans is De zevende hemel zeker te hoog gegrepen, een nogal zwaar aangezet halffabrikaat tussen klucht en ironische wijsheid over leven en dood à la Heaven Can Wait of A Matter of Life and Death. Misschien is het afzweren van de materie, en dus van de boertige kant van zijn personage, uiteindelijk een fatale ingreep. De charme van Urbanus' personage ligt in het gevecht tussen zijn lichtheid en de zwaartekracht die hem steeds weer naar beneden trekt. In deze film resteert slechts de iele glimlach van een harlekijn. Juist de pretenties van zijn derde film doen hem dan de das om.