Scheidende PvdA-wethouder over drie sterke generaties stadsbestuurders; Asselbergs en zijn herwaardering van de stad

Fons Asselbergs neemt vandaag, na veertien jaar, afscheid als wethouder van Amersfoort. Hij is een van de bestuurders geweest die in de jaren tachtig de architectuur tot een publieke zaak heeft gemaakt.

De Wibauts van de jaren tachtig hadden ze als bijnaam, oftewel de brat pack van het bouwen: het viertal PvdA-wethouders dat vorm en gezicht heeft gegeven aan architectuur als gemeentebeleid. Van hen is alleen John Wevers over, in Maastricht; Adri Duivesteijn is weg uit Den Haag, Ypke Gietema uit Groningen en nu verlaat Fons Asselbergs (1940) na ruim veertien jaar ook nog Amersfoort. Het einde van een tijdperk?

“Bedankt Fons!” schreeuwt vandaag een paginagrote krantenadvertentie, waarin een groot aantal mensen en instellingen hem roemt om zijn “gedegen kennis van zaken en visie op de kwaliteit van de stad, die met durf en grote persoonlijke inzet gewerkt heeft aan de ontwikkeling van Amersfoort.”

Toch is die ontwikkeling niet altijd met even groot enthousiasme begroet. Samen met de rest van zijn partijgenoten kreeg Asselbergs het in de verkiezingen van 1990 zwaar te verduren. Hij trok zijn kraag op en bleef aan: “Het was een ongelukkig moment om mijn congée te nemen. Er was van alles in gang gezet wat nog niet af was. Plannen als deze hebben een lange incubatietijd nodig.”

Waar de 107.000 inwoners van Amersfoort bezwaar tegen hadden, was het zogenaamde Centrumplan voor de herinrichting van de strook tussen station en binnenstad en van een 55 hectare groot bedrijfsterrein aan de rand van de binnenstad. Volgens de wethouder waren er op het moment van de verkiezingen eenvoudigweg te veel onduidelijkheden over het plan. Bovendien is "groei' er toch al een beladen thema, zegt hij. “In 1974 is het dorp Hoogland ingelijfd en werd het buitengebied een nieuwe bouwlocatie. Veel mensen kregen het gevoel dat hen onrecht was aangedaan. Daar staat tegenover, dat er in tien jaar tijd 15.000 voordeuren zijn bijgekomen, en per jaar komen er in de nieuwe stadsgebieden 1200 arbeidsplaatsen per jaar bij.”

Het is ironisch dat Asselbergs bijna ten val kwam door een plan dat volgens hem de bestaande stad moet behouden en versterken. Net als Duivestijn belandde Asselbergs in de politiek via het actiewezen, met als voornaamste thema het behoud van de stad. Na zeven jaar beheerder te zijn geweest van het Nederlandse Documentatiecentrum voor de Bouwkunst - hij is tenslotte als architectuurhistoricus opgeleid - werd hij wethouder, zonder ooit raadslid te zijn geweest. De monocultuur van de "kantorisering' in de binnenstad moest volgens hem worden doorbroken door mensen er weer te laten wonen: kortom, stadsvernieuwing. De "rehabilitatie van de stad' is ook een van de dingen waarvoor hij in de krantenadvertentie wordt bedankt.

“In 1974 en 1978 is ook al een sterke generatie stadsbestuurders opgestaan,” zegt hij, “de stadsvernieuwers zoals Jan Schaefer en Max van den Berg. Zij waren vooral geïnspireerd door de menselijke schaal en het wonen in de stad. Daarna kreeg je de stadsontwikkelaars, gemeentebestuurders die, zoals ik, de noodzaak zagen om ook met marktpartijen samen te werken: beleggers, projectontwikkelaars. In Amersfoort heb ik publiek-private samenwerkingen opgezet op allerlei formaat, zelfs voor een enkel pand. De komende generatie noem ik die van de draagvlakkers, mensen als Jan Bugter uit Deventer die het begrip van de burgers weten te mobiliseren. Wij worden dus wel opgevolgd, maar niet in een rechte lijn.”

Opvallend is dat de grote steden, op Den Haag na, nauwelijks een rol hebben gespeeld bij deze hausse in gemeentelijke architectuur en stadsplanning. “Den Haag heeft nog steeds moeite met het stadhuis, en met de IJ-oevers is Amsterdam er niet in geslaagd een vaste lijn in zijn plannen te krijgen. Het duurde te lang en het programma was niet consistent. Bij grote plannen is het verleidelijk om eerst een maquette te maken en dan pas een plan - maar het is ook dodelijk.”

Bij het ontwikkelen van de nieuwe uitbreidingswijk Kattenbroek heeft Asselbergs daarom met zijn beleidsteam eerst langdurig gepraat over welk karakter de wijk moest krijgen en werd uitvoerig onderzoek naar de woonwensen en verhuisbereidheid van potentiële bewoners. Zonder prijsvraag (“dat is georganiseerde twijfel”) ging de opdracht rechtstreeks naar de stedebouwkundige Ashok Bhalotra. Inmiddels is Kattenbroek, waarvan het concept op een reeks poëtische metaforen is gebaseerd, al vóór zijn voltooiïng de bekendste nieuwbouwwijk van Nederland.

Het behoort tot de taak van de gemeentebestuurder, vindt Asselbergs, om de ontwerper in wie hij vertrouwen stelt in bescherming te nemen. Hij heeft zich sterk gemaakt voor een ontwerp van architect Abel Cahen voor de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, dat dreigde te verzanden. En opnieuw voor de stedebouwkundige Ashok Bhalotra, supervisor van de nieuwe uitbreidingwijk Kattenbroek. “Bhalotra is zowel previsor als supervisor, en hij is van de eerste calque tot de laatste klinker verantwoordelijk.” Net zoals het hem bij de stadsvernieuwing erom ging het wonen weer terug te brengen in de bestaande stad, spant Asselberg zich er nu voor in om het werken in de woonwijk Kattenbroek een plaats te geven. Zo heeft architect Piet Blom in een project met 33 vrije sector-woningen ruimte bestemd voor kantoor aan huis. “De hele "plint' van Parijs bestaat uit een mengeling van wonen en werken, en dat had Amsterdam in de negentiende en begin twintigste eeuw ook.”

Per 1 mei wordt hij directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in Zeist. “Monumentenzorg gaat een geëmancipeerde rol spelen in de gebouwde omgeving. Een dergelijke dienst houdt zich niet alleen met feitelijke restauratie bezig, maar richt zich ook op herstel en behoud in de brede zin. Die moet niet alleen naar monumenten kijken, maar ook naar het gebruik ervan, naar de belendende percelen, zelfs naar de entrees van onze steden.”

Wat beklijft er van de generatie van de stadsontwikkelaars? “Achteraf kunt je constateren dat de bestuurlijke biotopen in die vier steden gelijkenissen vertonen. Dat kan wel tot voorbeeld strekken. Althans, daar kun je op hopen. Wij zijn de vertegenwoordigers van een verschijnsel, niet de makers. Een wethouder kan de tijdgeest niet breken of buigen - hooguit benutten.”