Rentegroeifondsin de knel

De banken kunnen het nog nauwelijks geloven, maar de Tweede Kamer gaat hun troetelkind, het rentegroeifonds, om zeep helpen.

Het rentegroeifonds is als bancair produkt de opvolger van eerder door de wetgever van de markt verdreven fiscaal voordelige constructies. Het wordt verkocht als een veilige methode om laagbelast te beleggen. Veilig omdat men aandelen koopt in een fonds dat uit obligaties bestaat; fiscaal aantrekkelijk omdat het rentegroeifonds zijn rendement omzet in voor de aandeelhouder onbelaste koersstijging. Het fonds zelf betaalt weliswaar net als andere ondernemingen 35 procent vennootschapsbelasting maar de belegger ontsnapt volledig aan zijn persoonlijk toptarief dat tot 60 procent kan oplopen. Het tij zat de fondsen de laatste tijd extra mee door de dalende rente. De koers van een groeifonds kreeg een impuls door de stijgende beurswaarde van zijn hoogrenderende obligatiebezit. Er zijn netto rendementen van meer dan 14 procent gemeten. Bij het aantrekken van nieuwe beleggers struikelden de banken over elkaar heen met steeds agressievere reclamekreten. Wie de fiscus meer dan 35 procent belasting over zijn beleggingsopbrengsten gunde, werd afgeschilderd als een dief van eigen portemonnee.

Veel discreter sprongen de banken overigens om met een op het groeifonds voortbordurende fiscale vluchtweg. Door het hoge rendement is het toegestaan de fondsaandelen met geleend geld te kopen en vervolgens de betaalde rente als fiscale aftrekpost voor de inkomstenbelasting op te voeren. Vermogende mensen (die dus veel kunnen lenen) krijgen zo een rente-aftrekpost waar hun hele inkomen in kan verdwijnen. Resultaat: ondanks een vorstelijk salaris, heeft men fiscaal een inkomen van nul gulden. Deze kunstmatige plaats bij de minimuminkomens biedt enige verscholen voordelen. Zo kent de belastingwetgeving voor sommige inkomsten enkele, weinig bekende, bijzondere tarieven die lager zijn naarmate men in de afgelopen jaren minder fiscaal inkomen heeft genoten. Bovendien stellen de huidige regels iemand zonder inkomen vrij van de vermogensbelasting, hoe groot dat vermogen ook zou zijn.

Die voordelen werden overigens niet aangeprezen in de folders waarmee de groeifondsen uiteindelijk ook veel kleinere beleggers over de streep wisten te trekken - mensen die, opgezweept door de agressieve reclames, het niet langer konden verdragen een dief van eigen portemonnee te zijn. Tegen een inmiddels hoge prijs kochten ze enkele aandelen. Ze wisten niet dat juist op dat moment de Kamerleden Vreugdenhil (CDA) en Vermeend (PvdA) besloten dat het zo niet langer kon. “Volkomen onbekenden belden mij trots op met de mededeling dat ze "uit de belasting' stapten”, aldus fiscaal specialist Vreugdenhil. “Anderen die gewoon 60 procent over hun beleggingsopbrengsten betaalden, voelden zich door de overheid in de steek gelaten. Als Kamerleden kregen we daar veel klachten over.”

In reactie op andere klachten werkten de beide parlementariërs trouwens al aan een plan de belastingvlucht naar België te stuiten door in de vermogensbelasting een vrijstelling voor ondernemingsvermogen op te nemen. Wat is mooier dan de rijke Nederlanders zelf voor die nieuwe vrijstelling te laten betalen? Die kon namelijk worden bekostigd uit de aanpak van de rentegroeifondsen: dat zijn twee vliegen in een klap. Omdat ze toch bezig waren, schrapten de beide Kamerleden in hun initiatiefwetsvoorstel meteen de vrijstelling van vermogensbelasting voor mensen zonder inkomen.

Hoewel de parlementariërs niet geheimzinnig deden over hun plannen, kregen de beleggers pas de schrik in de benen toen ze afgelopen vrijdag het Financieele Dagblad zagen. Daarin legde een belastingadviseur uit dat degenen die niet tijdig hun aandelen in een groeifonds verkochten, met een akelige fiscale claim konden worden geconfronteerd. Die vrijdag kwam tien procent van het groeifondsbezit op de markt. Dat record werd op maandag al gebroken, nadat de Telegraaf prominent de ondergang van de groeifondsen had verkondigd. De bij dit alles behorende spectaculaire koersdaling die ook dinsdag doorzette, is een koude douche voor de beleggers die kort geleden nog tegen een hogere koers kochten. Ze rekenden op veilige belastingvrije rendementen, maar ze staan nu op verlies. De banken bieden hun niet meer troost dan hun eigen ongeloof: het voorstel zou nog in een zeer voorlopig stadium verkeren.

Als de banken dat echt denken en niet hun beleggers een rad voor ogen willen draaien, snappen ze weinig van wat er op Het Binnenhof omgaat. Een voorstel dat de steun heeft van een Kamermeerderheid en dat voor een overigens weinig enthousiaste staatssecretaris van financiën aanvaardbaar lijkt, staat eigenlijk al voor de eindstreep. Bovendien is, afgezien van de VVD, de politieke sympathie voor de groeifondsen gering. Vreugdenhil vindt dat begrijpelijk. “Die agressieve advertenties zijn niet alleen mij in het verkeerde keelgat geschoten. Bovendien is het onzin het rentenieren fiscaal te bevorderen. Onze voorstellen beogen nu juist het actieve bedrijfsleven te steunen.”